ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6490
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verjaring van kredietvordering door onvoldoende stuiting na opeisbaarheid
Abn Amro sloot in september 2005 een kredietovereenkomst met de gedaagde waarbij een kredietlimiet van €45.000 werd vastgesteld. De vordering werd opeisbaar in december 2006, waarna Abn Amro pas in februari 2012 een dagvaarding uitbracht. De gedaagde stelde zich op het standpunt dat de vordering was verjaard omdat meer dan vijf jaar waren verstreken sinds de opeisbaarheid.
Abn Amro voerde aan dat de verjaring was gestuit door meerdere brieven uit 2007 en 2010 en een gesprek in juli 2008 tussen de gedaagde en diens werkgever, op verzoek van de bank. De rechtbank oordeelde dat het gesprek niet voldeed aan het schriftelijkheidsvereiste en dat het niet ondubbelzinnig was dat de bank aanspraak maakte op de vordering. Ook was onvoldoende bewezen dat de brieven de gedaagde hadden bereikt, mede omdat deze niet aangetekend waren verzonden en de gedaagde dit betwistte.
De rechtbank stelde vast dat de gedaagde niet onvindbaar was en dat de bank onvoldoende bewijs had geleverd dat de verjaring was gestuit. Daarom was de vordering verjaard. Het verstekvonnis werd vernietigd en de vorderingen van Abn Amro afgewezen. De bank werd veroordeeld in de kosten van de procedure.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Abn Amro af wegens verjaring omdat de verjaring niet tijdig is gestuit.