ECLI:NL:RBHAA:2012:BW0078
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Berekening dotatie herbeleggingsreserve bij beleggingsinstelling en uitdelingsverplichting
De zaak betreft een geschil tussen een beleggingsinstelling en de Belastingdienst over de hoogte van de dotatie aan de herbeleggingsreserve (HBR) voor het boekjaar 2005. De inspecteur stelde de toevoeging aan de HBR vast op €132.855.750, welke door eiseres werd betwist. De kern van het geschil was de toepassing van het plafond voor de HBR zoals omschreven in artikel 4, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit Beleggingsinstellingen (BBI).
Eiseres stelde dat bij de berekening van het plafond rekening gehouden moest worden met een negatieve algemene reserve van €69.168.380, hetgeen de rechtbank verwierp omdat deze reserve niet valt onder de 'toelaatbare reserves' zoals bedoeld in het BBI. De rechtbank oordeelde dat de opsomming in het BBI limitatief is en dat de negatieve algemene reserve niet in mindering mag worden gebracht.
Verder betoogde eiseres dat het standpunt van de inspecteur leidt tot dubbele heffing van dividendbelasting, omdat een excesdividend commercieel al was uitgekeerd maar fiscaal nog niet was gerealiseerd. De rechtbank volgde dit betoog niet en stelde dat de mogelijkheid van economische dubbele heffing voortvloeit uit de commerciële winstbepaling en het dividendbeleid van eiseres, en dat dit geen strijd oplevert met de Wet op de dividendbelasting of het fiscale beleggingsinstellingenregime.
De rechtbank concludeerde dat de berekening van het HBR-plafond volgens het BBI correct is toegepast en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de beleggingsinstelling tegen de vaststelling van de dotatie aan de herbeleggingsreserve wordt ongegrond verklaard.