ECLI:NL:RBHAA:2012:BV9589
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1999, 2000 en 2001. De rechtbank heeft vastgesteld dat de behandeling van deze bezwaar- en beroepsprocedures de redelijke termijn van twee jaar aanzienlijk heeft overschreden.
De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn voor de inspecteur een half jaar is om op bezwaar te beslissen en anderhalf jaar voor de rechtbank om op beroep te beslissen. De overschrijding leidt tot een immateriële schadevergoeding van € 500 per half jaar overschrijding, afgerond naar boven.
De rechtbank oordeelt dat zowel de inspecteur als de Staat aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding, waarbij de verplichting tot betaling wordt verdeeld. Voor de jaren 1999, 2000 en 2001 worden respectievelijk schadevergoedingen van € 5.000, € 4.500 en € 3.000 toegekend, waarvan de inspecteur het grootste deel betaalt. Daarnaast worden proceskosten van € 219 toegewezen, te verdelen tussen inspecteur en Staat.
De rechtbank wijst erop dat het niet instellen van rechtsmiddelen tegen het uitblijven van uitspraak op bezwaar geen invloed heeft op de hoogte van de schadevergoeding. Ook wordt geen reden gezien om af te wijken van de standaardtermijn ondanks wettelijke langere termijnen voor de inspecteur.
De uitspraak bevestigt het belang van tijdige besluitvorming en rechtszekerheid in belastingprocedures en geeft een gedetailleerde berekeningswijze voor schadevergoeding bij termijnoverschrijding.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 11.250 en de Staat tot betaling van € 1.250 aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.