ECLI:NL:RBHAA:2011:BU3889
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onzakelijk debiteurenrisico bij geldverstrekking aan persoonlijke holding niet aftrekbaar
Eiseres, gehuwd op huwelijkse voorwaarden en ondernemer in een vof met haar echtgenoot en hun persoonlijke holdings, verstrekte in 2005 een bedrag van € 200.000 aan de persoonlijke holding van haar echtgenoot, die dit bedrag uitleende aan een derde vennootschap in Turkije. Na scheiding in 2007 stelde eiseres een verlies uit werk en woning van ruim € 174.000 in aftrek, welke door de Belastingdienst werd afgewezen wegens een onzakelijk debiteurenrisico.
De rechtbank stelt vast dat de geldverstrekking indirect via de vof en de persoonlijke holding heeft plaatsgevonden en kwalificeert dit als terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen onder de Wet IB 2001. De rechtbank oordeelt dat de voorwaarden waaronder het geld werd verstrekt onzakelijk waren: er waren geen schriftelijke afspraken, zekerheden of aflossingsschema's, en eiseres erkende zelf achteraf naïef te zijn geweest.
De stelling van eiseres dat derden ook in het onroerendgoedproject zijn gestapt, wordt verworpen omdat deze relaties niet vergelijkbaar zijn. Ook het subsidiaire standpunt dat het verlies een nagekomen verlies uit onderneming betreft wordt afgewezen, omdat de vof fiscaal was gestaakt in 2005 en de geldverstrekking geen verband hield met de onderneming.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het verlies niet ten laste van het belastbare inkomen uit werk en woning kan worden gebracht. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat het verlies op de onzakelijke geldverstrekking niet aftrekbaar is.