ECLI:NL:RBHAA:2011:BT8681
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag en verjaring
De werknemer trad in 2002 in dienst bij de werkgever als bouwkundig tekenaar. In 2010 werd de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd na een ontslagvergunning van het UWV. De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat hij geen vergoeding ontving en de gevolgen voor hem ernstig waren. Hij vorderde een schadevergoeding en een vergoeding op grond van de cao.
De werknemer had eerder een vordering ingesteld tegen een andere rechtspersoon, die niet tot toewijzing leidde. De rechtbank oordeelde dat de nieuwe vordering tegen de juiste werkgever binnen zes maanden was ingesteld en dat dit de verjaring stuitte. De stuiting geldt ook als de eerste vordering tegen een andere, doch verbonden rechtspersoon was ingesteld.
De rechtbank verwierp het verweer van misbruik van recht en onrechtmatige daad door de werknemer. Ook werd geoordeeld dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was, mede omdat de werknemer geen gebruik maakte van aangeboden loopbaanbegeleiding en inmiddels ander werk had gevonden. De vordering tot schadevergoeding en vergoeding op grond van de cao werd afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.