ECLI:NL:RBHAA:2011:BR3138
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorziening garantstelling kredietovereenkomst vennootschapsbelasting 2006
Eiseres, een 100% dochter van Y BV, had voor het jaar 2006 een voorziening van €100.000 gevormd in verband met een garantstelling aan Z BV voor een kredietfaciliteit van Q BV. Q BV leed in 2006 een groter verlies dan begroot en had een aanzienlijk deel van de kredietfaciliteit opgenomen. Eiseres stelde dat er een redelijke mate van zekerheid bestond dat de garantstelling zou worden ingeroepen.
De rechtbank beoordeelde of de voorziening betrekking had op toekomstige uitgaven die hun oorsprong vonden in de periode voorafgaand aan de balansdatum 31 december 2006 en of er een redelijke mate van zekerheid bestond dat deze uitgaven zich daadwerkelijk zouden voordoen. De rechtbank vond dat eiseres dit niet aannemelijk had gemaakt. Een budgetoverschrijding in het oprichtingsjaar van Q BV en vertragingen in het project waren onvoldoende om te concluderen dat de garantstelling waarschijnlijk zou worden aangesproken.
Daarmee was niet voldaan aan de voorwaarden voor het vormen van een voorziening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Haarlem op 18 april 2011.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2006 wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de voorziening.