ECLI:NL:RBHAA:2011:BP1388
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst bij voorovereenkomst oproepkracht
De zaak betreft de vraag of een voorovereenkomst tussen een oproepkracht en werkgever gelijkgesteld kan worden aan een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW Pro. Werknemer voerde aan dat het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW en de ketenregeling van artikel 7:668a lid 1 BW van toepassing zijn, waardoor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn ontstaan. Werkgever betwistte dit en stelde dat partijen nooit de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst aan te gaan.
De kantonrechter heeft de inhoud en uitvoering van de voorovereenkomsten onderzocht, waarbij onder meer is meegewogen dat in de overeenkomsten expliciet is opgenomen dat er geen arbeidsovereenkomst wordt beoogd en dat de werknemer niet verplicht is arbeid te verrichten. Ook de mogelijkheid voor de werknemer om zich te laten vervangen en de wijze van inroostering spraken tegen het bestaan van een arbeidsovereenkomst.
Hoewel de werknemer structureel werd ingezet en functioneringsgesprekken heeft gehad, achtte de rechter dit onvoldoende om het rechtsvermoeden te doorbreken. De cao bevat een uitsluiting van artikel 7:668a BW voor oproepovereenkomsten, maar niet expliciet voor voorovereenkomsten. De geldigheid en uitleg van deze cao-bepaling en de eventuele strijd met Europees recht lenen zich niet voor een voorlopige voorziening.
De kantonrechter concludeerde dat op basis van de thans beschikbare feiten niet met zekerheid kan worden aangenomen dat er een arbeidsovereenkomst bestaat en wees de vordering af. De proceskosten worden aan de werknemer opgelegd.
Uitkomst: De vordering tot loonbetaling tijdens ziekte op basis van een arbeidsovereenkomst wordt afgewezen.