ECLI:NL:RBHAA:2010:BO5340

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
20 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15/740737-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • M.A.E. de Jong-Overtoom
  • W.A.F. Jansen
  • J.N.A. Jolink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15h Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing schorsing voorwaardelijke invrijheidsstelling

Op 10 augustus 2010 diende verzoeker een verzoek in bij de rechtbank Haarlem om de schorsing van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling op te heffen. Verzoeker was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 44 maanden, waarvan hij op 1 februari 2010 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld.

Op 9 augustus 2010 had de officier van justitie een vordering ingediend tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling wegens het niet naleven van bijzondere voorwaarden. De rechter-commissaris had daarop de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen. Verzoeker wilde deze schorsing laten opheffen.

De rechtbank oordeelde dat er geen nieuwe argumenten waren die niet reeds door de rechter-commissaris waren betrokken. De naar voren gebrachte argumenten moesten nog onderzocht worden in de zitting van 2 september 2010. De rechtbank zag geen gronden om de schorsing op te heffen en wees het verzoek af.

De beslissing werd genomen door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Haarlem op 20 augustus 2010, bestaande uit drie rechters onder voorzitterschap van M.A.E. de Jong-Overtoom.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector Strafrecht
Locatie Haarlem
Meervoudige raadkamer
VI-zaaknummer: 99-000020-21
Parketnummer: 15/740737-07
Datum beslissing: 20 augustus 2010
beschikking (art. 15h Sr.)
1. Ontstaan en loop van de procedure
Op 10 augustus 2010 is op de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een verzoek, gedateerd 10 augustus 2010 van:
[verzoeker], verzoeker,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
domicilie kiezende te Almelo, Kloosterhofpad 6, 7607 HK, ten kantore van mr. P.M. Breukink, advocaat.
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker opheft.
Op 18 augustus 2010 is dit verzoek in raadkamer behandeld.
Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr.Breukink, voornoemd.
Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. Hollander.
Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.
2. Beoordeling
Verzoeker is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 november 2008 veroordeeld tot –onder meer- een gevangenisstraf van 44 maanden met aftrek van voorarrest.
Op 1 februari 2010 is verzoeker voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
Op 9 augustus 2010 is ter griffie ingekomen een vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker, omdat hij zich niet aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Deze vordering zal worden behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 2 september 2010.
Eveneens op 9 augustus 2010 heeft de rechter-commissaris in deze rechtbank de vordering van de officier van justitie van die datum tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker toegewezen.
Thans ligt voor het verzoek om het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling op te heffen.
Artikel 15h, lid 8, van het Wetboek van Strafrecht (WvS) bepaalt: Het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan door de rechtbank worden opgeheven. Zij kan dit ambtshalve doen, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie. Blijkens de Memorie van Toelichting betreffende dit artikel dient deze bevoegdheid van de rechtbank niet als mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Deze bevoegdheid heeft ten doel de opheffing van de schorsing van de voorwaardelijk invrijheidstelling mogelijk te maken in het geval de rechtbank daartoe termen aanwezig acht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in de loop van de herroepingprocedure blijkt dat veroordeelde geen aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden voorwaarde heeft geschonden, aldus de Memorie van Toelichting.
De rechtbank heeft in de in het verzoekschrift en bij deze behandeling in raadkamer geen argumenten vernomen die de rechter-commissaris niet in haar beslissing heeft betrokken. De (opnieuw) naar voren gebrachte argumenten dienen te worden onderzocht, maar daar is de behandeling door de meervoudige kamer op 2 september 2010 voor bedoeld. Deze argumenten geven naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de conclusie dat thans reeds blijkt dat verzoeker geen aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden voorwaarde heeft geschonden. Ook overigens ziet de rechtbank geen termen om de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling op te heffen. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
3. Beslissing
De rechtbank:
Wijst het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker af.
4. Samenstelling raadkamer
Deze beschikking is gegeven op 20 augustus 2010 door:
mr. M.A.E. de Jong-Overtoom, voorzitter,
mrs. W.A.F. Jansen en J.N.A. Jolink, rechters
in tegenwoordigheid van J.A. Huismans, griffier,