ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2783
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A.C. Hofman
- K.I. de Jong
- W.S.J. Thijs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing preferente vordering werknemer in faillissement moeder- en dochtervennootschap
De werknemer [eiser] vorderde in het faillissement van KPNQwest N.V. (moedervennootschap) en KPNQwest IP Services B.V. (dochtervennootschap) een preferente vordering op basis van zijn arbeidsovereenkomst en een 403-verklaring. De NV en BV waren failliet verklaard, waarbij de vordering van [eiser] in het faillissement van de BV als preferent werd erkend, maar in het faillissement van de NV werd de preferentie betwist.
De rechtbank oordeelde dat de preferentie van [eiser] uitsluitend kon voortvloeien uit zijn arbeidsovereenkomst met de BV, aangezien het sociaal plan alleen voor werknemers van de BV gold. De stelling dat moeder- en dochtervennootschap op grond van redelijkheid en billijkheid vereenzelvigd moesten worden, werd verworpen vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Ten aanzien van de 403-verklaring stelde de rechtbank dat deze slechts hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor schulden van de dochtervennootschap inhoudt, maar niet leidt tot uitbreiding van het voorrecht van de werknemer naar het vermogen van de moedervennootschap. De vordering van [eiser] werd daarom afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de preferente vordering van de werknemer af en veroordeelt hem in de proceskosten.