ECLI:NL:RBHAA:2010:BM2754
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.A. Fase
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- S.C.W. Douma
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke kwalificatie van schadeloosstelling voor vermindering dividendrechten als inkomen uit aanmerkelijk belang
Eiser en zijn broers, grootaandeelhouders van X B.V., kwamen in 2001 overeen hun dividendrechten op gewone aandelen te verminderen ten gunste van Y B.V., met een schadeloosstelling van circa €4,5 miljoen als compensatie. De statutenwijziging zou onder opschortende voorwaarde plaatsvinden, welke in 2004 werd vervuld. De schadeloosstelling werd door de Belastingdienst in 2004 belast als inkomen uit aanmerkelijk belang.
Eiser betwistte de kwalificatie van deze schadeloosstelling als vervreemdingsvoordeel en stelde dat het niet om een vervreemding ging, mede gelet op wetsgeschiedenis en jurisprudentie uit het oude regime (Wet IB 1964). Tevens voerde hij subsidiair aan dat het genietingstijdstip in 2001 lag.
De rechtbank oordeelde dat de schadeloosstelling niet langer als regulier voordeel, maar als vervreemdingsvoordeel moet worden aangemerkt onder artikel 4.12 Wet IB 2001. De wetsgeschiedenis en parlementaire toelichting bevestigen dat ook de vestiging van genotsrechten en vervanging van gederfde voordelen onder het vervreemdingsbegrip vallen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de schadeloosstelling als vervreemdingsvoordeel belastbaar is als inkomen uit aanmerkelijk belang.