ECLI:NL:RBHAA:2010:BL9691
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.A.M. Röell-Mulder
- R.H.M. Bruin
- F.S.N. Nasrullah - Oemar
- Rechtspraak.nl
Vermindering belastingaanslag wegens gelijke behandeling loonvordering werknemer en dochter
Eiser betwist dat hij het loon van C over 2006 heeft genoten omdat het niet inbaar was en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel vanwege ongelijke behandeling ten opzichte van zijn dochter, die ook loon van C niet ontving maar dit niet als inkomen werd belast.
De rechtbank stelt vast dat het loon volgens artikel 3.146 Wet IB 2001 wordt geacht te zijn genoten zodra het vorderbaar en inbaar is. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn vordering in 2006 niet inbaar was. De vordering was vorderbaar en inbaar, zodat het loon als genoten geldt.
Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel oordeelt de rechtbank dat eiser en zijn dochter feitelijk en rechtens gelijke gevallen zijn, beide werknemers met gelijke mogelijkheden om hun loon te innen. De dochter werd begunstigd doordat haar loonvordering niet als inkomen werd belast, terwijl dat bij eiser wel gebeurde. Dit is onrechtvaardig en leidt tot vermindering van de aanslag.
De rechtbank vermindert het inkomen uit werk en woning van eiser met het bedrag van het loon van 2006 (€ 17.184) en past de rendementsgrondslag in box III aan. Tevens wordt de heffingsrente aangepast en het griffierecht aan eiser vergoed. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.
Uitkomst: De belastingaanslag wordt verminderd wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en het loon wordt geacht te zijn genoten.