ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5765

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
4 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15/800470-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 312 lid 1 en lid 2 onder 2 SrArt. 317 lid 1 en lid 3 SrArt. 322 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen voorbereidingshandelingen voor gewelddadige overval

Verdachte werd ten laste gelegd dat hij samen met anderen voorbereidingshandelingen had verricht voor een gewelddadige overval op het bedrijf Copex te Schiphol, waaronder het gebruik van een vrachtwagen met valse kentekenplaten en het bij zich hebben van bivakmutsen. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van twaalf maanden wegens medeplegen voorbereidingshandelingen voor een misdrijf met een straf van acht jaar of meer.

De verdediging voerde aan dat het doel niet gericht was op een misdrijf met een straf van acht jaar of meer en dat verdachte geen opzet had op het plegen van een dergelijk misdrijf. De rechtbank oordeelde dat hoewel de voorwerpen en het vervoermiddel uiterlijk geschikt leken voor een misdadig doel, het feit dat de overval in scène was gezet en alle betrokken werknemers op de hoogte waren, maakte dat het doel niet gericht was op een ernstig misdrijf.

De rechtbank concludeerde dat het misdadig doel was gericht op medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, waarvoor een lagere straf geldt. Daarom kon niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan medeplegen voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 Sr Pro. Verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen voorbereidingshandelingen wegens ontbreken van bewijs voor opzet op een misdrijf met een straf van acht jaar of meer.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector Strafrecht
Locatie Schiphol
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/800470-09
Uitspraakdatum: 4 februari 2010
Tegenspraak ingevolge artikel 279 Sv Pro.
Strafvonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2010 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1961] te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2008 tot en met 14 november 2008 te Venlo en/of Tegelen en/of Oirschot en/of Venray en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en Pro lid 2 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 317 lid 1 en Pro lid 3 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, opzettelijk (onder meer)
- een trekker van het merk MAN en een oplegger en/of
- een en/of meerdere bivakmutsen en/of
- een kentekenplaat met het kenteken BN-HJ-30
kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (onder meer)
-(een) ander(en) ontmoet en/of
-in de richting van Schiphol gereden en/of
-bovengenoemde vrachtwagen voorzien van tape en/of een andere kentekenplaat en/of
-telefonisch afspraken met een of meerdere van zijn mededader(s) en/of
-met elkaar gemaakt in de buurt van en/of in de omgeving van het bedrijf COPEX, gelegen aan de Toekanweg 2 te Schiphol en/of
-(tweemaal) het terrein van het bedrijf COPEX aan de Toekanweg 2 te Schiphol opgereden.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Naar het oordeel van de officier van justitie kan de combinatie van het met een afgeplakte, en van valse kentekenplaten voorziene trekker en oplegger rijden naar en op het terrein van het bedrijf Copex op Schiphol, tezamen met de aangetroffen bivakmutsen en in samenhang bezien met het door de getuige [getuige] omschreven criminele doel, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm slechts gericht zijn op het plegen van een strafbaar feit, zoals omschreven in artikel 312 of Pro 317 van het Wetboek van Strafrecht, en heeft verdachte voor dit doel de vrachtwagen bestuurd en naar Schiphol gereden en onderweg meerdere personen in laten stappen.
4. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – op gronden en argumenten als weergegeven in de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnotities – aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Het verweer van de raadsman komt er kort en zakelijk weergegeven op neer dat vanwege het ontbreken van een geweldsaspect aan het doel van de criminele intenties, niet kan worden bewezen dat dit gericht was op een misdrijf waarvoor 8 jaar of meer is gesteld en dat - voor zover dat wel het geval zou zijn - verdachte vrijgesproken moet worden omdat hij geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het plegen van een strafbaar feit te plegen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld .
5 Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
Verdachte is - kort gezegd - het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de periode van 14 juni 2008 tot en met 14 november 2008 van een geweldadige overval (diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen of afpersing) jegens werknemers van het bedrijf Copex op Schiphol ten laste gelegd.
De Rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht is vereist dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk (onder meer) voorwerpen en vervoermiddelen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, verworven of voorhanden heeft gehad. Derhalve zal moeten worden bewezen dat de voorwerpen die verdachte en zijn medeverdachten bij zich hadden ‘bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf’. Krachtens geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat de voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte voor ogen stond (HR 20 februari 2007, LJN AZ0213).
Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte op 14 november 2008 aan het begin van de avond een vrachtwagen (trekker) van merk MAN en een oplegger bij een bedrijf te Oirschot heeft opgehaald. Medeverdachte [medeverdachte] had deze vrachtwagen bij dat bedrijf gehuurd en verdachte gevraagd deze daar op te halen. Verdachte is die avond uiteindelijk samen met anderen in deze vrachtwagencombinatie naar Schiphol is gereden en ’s avonds omstreeks 23.00 uur met de vrachtwagencombinatie tweemaal op het terrein van Copex op Schiphol geweest. Uit de printgegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat zijn telefoon op 14 november 2008 om 23.55.14 uur heeft gebeld met de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] voor de duur van 17 seconden. Uit onderzoek is voorts gebleken dat de op het terrein van Copex gesignaleerde vrachtwagencombinatie voorzien was van valse kentekenplaten (die diezelfde dag in Venray. waren ontvreemd), dat de belettering op de vrachtwagen met tape was afgeplakt en dat bij dat onderzoek in de vrachtwagencombinatie meerdere bivakmutsen (die waarschijnlijk op 14 november 2008 in een winkel op ongeveer 2,5 kilometer van de woning van medeverdachte [medeverdachte] zijn aangeschaft) en een rol tape zijn aangetroffen.
Voormelde voorwerpen en voormeld vervoermiddel kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm onder de omstandigheden als hiervoor gesignaleerd of aangetroffen dienstig zijn voor een misdadig doel zoals aan verdachte ten laste gelegd. Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt echter dat het in het onderhavige geval zou gaan om een in scène gezette overval op een loods van Copex, waarbij alle ten tijde van die in scène gezette overval in de loods aanwezige werknemers van het bedrijf op de hoogte zouden zijn geweest van wat zou gaan gebeuren. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is niet gebleken van opzet bij verdachte en zijn medeverdachten om daadwerkelijk een gewapende overval te plegen, dan wel om ook niet bij het plan betrokken medewerkers of anderszins aanwezigen van hun voornemen het slachtoffer te laten worden.
Nu krachtens geldende jurisprudentie bij de beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen en het vervoermiddel niet mag worden geabstraheerd van het doel dat de verdachten daarmee voor ogen stond, kan niet worden gezegd dat verdachte en zijn medeverdachten die vrachtauto en die voorwerpen voorhanden hadden met het oogmerk een misdrijf te begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is immers op grond van het vorenstaande het misdadig doel van verdachte en zijn medeverdachten geweest het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, hetgeen het misdrijf van artikel 322 van Pro het Wetboek van Strafrecht oplevert en waarvoor een gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaar kan worden opgelegd.
Aldus kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van art. 46 Sr Pro.
Op grond van het voorgaande zal verdachte dan ook van het hem ten laste gelegde moeten worden vrijgesproken.
6. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.E.A. Toeter, voorzitter,
mrs T.A.M. Tijhuis en J.N.A. Jolink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.P. van Os,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2010.