ECLI:NL:RBHAA:2008:BC8135
Rechtbank Haarlem
- Voorlopige voorziening
- C.E. Heijning-Huydecoper
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening bij stopzetting bijstandsuitkering niet-ontvankelijk verklaard
Verzoeker ontvangt sinds oktober 2003 een bijstandsuitkering op basis van de WWB. In 2007 heeft verweerder meerdere pogingen gedaan om verzoeker uitkeringsonafhankelijk te maken. Op 20 maart 2007 werd een verlaging van de uitkering opgelegd wegens niet meewerken aan arbeidsinschakeling. Medisch onderzoek in april en mei 2007 wees uit dat verzoeker een urenbeperking van 20 uur per week heeft.
Op 7 november 2007 informeerde verweerder verzoeker dat hij nog steeds in staat wordt geacht in eigen onderhoud te voorzien en dat hij minimaal 20 uur per week moet deelnemen aan een traject richting regulier werk. Verzoeker ontving zijn uitkering echter gewoon. Verzoeker annuleerde afspraken met het re-integratiebureau wegens ziekte. Verweerder stuurde op 12 december 2007 een brief met een uitnodiging voor een gesprek en wees verzoeker op de mogelijkheid bezwaar te maken.
Verzoeker diende geen bezwaar in, maar stelde op 6 januari 2008 beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening om zijn uitkering voort te zetten en een andere casemanager toe te wijzen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van 7 november 2007 geen besluit is en daarom niet vatbaar voor bezwaar of beroep, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk is. Ook voor de brief van 12 december 2007 bestaat twijfel over het besluitkarakter, maar het beroep wordt alsnog als bezwaar door verweerder behandeld. Het verzoek om voorlopige voorziening gekoppeld aan deze brief is eveneens niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brieven van verweerder geen besluiten in de zin van de Awb zijn.