ECLI:NL:RBHAA:2007:BZ0851

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15/996536-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 SvArt. 126f SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op bezwaarschrift tegen onthouding van processtukken in strafzaak

De rechtbank Haarlem behandelde een bezwaarschrift van de raadsman van betrokkene tegen het onthouden van processtukken in een strafzaak. Het bezwaarschrift richtte zich op stukken die het ontstaan en de hoogte van de ontnemingsvordering onderbouwen, waaronder stukken over inbeslagneming en het strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo).

De rechtbank oordeelde dat voor de inbeslaggenomen goederen een aparte beklagprocedure openstaat, die een effectieve remedie biedt, en dat het openbaar ministerie alle gelegde beslagen tijdig aan betrokkene overbrengt. Daarom werd het bezwaarschrift voor deze stukken niet-ontvankelijk verklaard. Voor de stukken die betrekking hebben op het sfo werd het bezwaarschrift ongegrond verklaard, omdat het openbaar ministerie op goede gronden inzage mocht beperken vanwege de complexiteit van het onderzoek en het reële collusiegevaar.

Ook voor overige stukken in de strafzaak werd het bezwaarschrift ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukte dat het belang van de strafvordering bij beperkte inzage vooralsnog zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van betrokkene bij volledige inzage, mede gezien de korte tijd sinds de inverzekeringstelling en het kennisnemen van het sfo.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen het onthouden van processtukken is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE RAADKAMER
parketnummer: 15/996536-06
registratienummer: 07/1418
BESLISSING op BEZWAARSCHRIFT
De rechtbank Haarlem, meervoudige raadkamer,
Gezien het op 16 november 2007 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift van mr. W.J. Koops, gericht tegen het onthouden van processtukken in de zaak met opgemeld parketnummer, ingediend namens betrokkene:
[voornamen] [achternaam],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres],
thans gedetineerd in de P.I. Noord Holland Noord, HvB Zwaag te Zwaag;
gezien de overige zich in het dossier bevindende stukken;
gelet op het te dezen gehouden onderzoek in raadkamer van 21 november 2007, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.
1. Overwegingen
1.1 De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie te gelasten alle stukken over te leggen die het ontstaan en de hoogte van de geschatte ontnemingsvordering onderbouwen. Met betrekking tot deze stukken valt een onderscheid te maken tussen stukken die betrekking hebben op de inbeslagneming van goederen en stukken die ten grondslag liggen aan de vordering machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo).
1.2 De rechtbank stelt vast dat tegen de inbeslagneming van goederen de procedure van beklag openstaat, zoals geregeld in de artikelen 552a e.v. van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In deze procedure bestaat voor de klager de reële mogelijkheid om zich er onder meer over te beklagen dat het hem niet duidelijk is welke goederen in beslag zijn genomen en om de rechtmatigheid van de (voortduring van de) inbeslagname aan te vechten. Naar het oordeel van de rechtbank is deze procedure een zogeheten "effective remedy", als bedoeld in de bepalingen van het EVRM, onder meer omdat het openbaar ministerie in een dergelijke beklagprocedure zonodig nadere stukken zal moeten overleggen om te onderbouwen dat - kort samengevat - het beslag rechtmatig is gelegd en er in redelijkheid tot (voortduring van de) beslaglegging kon en kan worden overgegaan.
Van onthouding van processtukken, tot de kennisneming waarvan de onderhavige procedure ex artikel 32 Sv Pro zich beperkt, is, mede in aanmerking genomen dat het openbaar ministerie in raadkamer heeft aangegeven dat alle gelegde beslagen op de kortst mogelijke termijn aan betrokkene worden (over)betekend en dat aan betrokkene inzage wordt verstrekt met betrekking tot alle beslagen goederen, bovendien geen sprake.
Het bezwaarschrift zal, voor zover het is gericht tegen het bovenstaande, niet-ontvankelijk worden verklaard.
1.3 Met betrekking tot de onthouding aan betrokkene van de stukken, voor zover die betrekking hebben op de instelling van het sfo, overweegt de rechtbank als volgt.
Anders dan door het openbaar ministerie in raadkamer is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat voor de beoordeling of genoemde stukken op goede gronden aan betrokkene worden onthouden, een en hetzelfde toetsingscriterium dient te worden aangelegd, te weten dat van artikel 30, tweede lid, Sv. Weliswaar schrijft artikel 126f, derde lid, Sv voor dat de officier van justitie eerst bij de betekening van de beschikking tot sluiting van het sfo aan degene tegen wie dit is gericht, deze hoeft mede te delen dat hij het recht heeft om van de stukken van het onderzoek kennis te nemen, dat brengt evenwel niet met zich dat degene die eerder van het sfo op de hoogte raakt, niet aanstonds het recht heeft om overeenkomstig artikel 30 Sv Pro om kennisneming van die stukken te verzoeken, gelijk betrokkene heeft gedaan.
Gelet op hetgeen door het openbaar ministerie in raadkamer naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie op goede gronden heeft kunnen besluiten om betrokkene de kennisneming van andere stukken dan die hij reeds heeft ontvangen, te onthouden op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 30 Sv Pro. Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat sprake is van complexe onderzoeken, dat het openbaar ministerie gemotiveerd naar voren heeft gebracht dat sprake is van reëel collusiegevaar en dat, mede in aanmerking genomen de korte tijd die is verstreken sinds betrokkene op de hoogte is geraakt van het sfo en (met name) sinds zijn inverzekeringstelling, ook overigens aannemelijk is geworden dat het belang van strafvordering bij beperkte inzage in de thans voorhanden zijn de processtukken vooralsnog dient te prevaleren boven de persoonlijke belangen van betrokkene bij volledige inzage daarvan.
Het bezwaarschrift zal voor wat betreft de hier bedoelde stukken ongegrond worden verklaard.
1.4 Voor zover het bezwaarschrift betrekking heeft op andere stukken in deze strafzaak, geldt naar het oordeel van de rechtbank op grond van de hiervoor onder 1.3 gegeven overwegingen eveneens dat het openbaar ministerie op goede gronden heeft kunnen besluiten die stukken te onthouden. Ook met betrekking tot deze stukken zal het bezwaarschrift ongegrond worden verklaard.
2. Beslissing
Verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de onthouding aan betrokkene van de onder 1.2 bedoelde stukken;
Verklaart het bezwaarschrift voor het overige ongegrond.
Aldus gedaan in raadkamer op 27 november 2007 door:
mr. M.A.E. de Jong-Overtoom, voorzitter,
mrs. E.C.M. van Mierlo en S. Jongeling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven, griffier.