ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4466
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.C.M. Rutten
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen bevestigd ondanks termijnoverschrijding
Eiser ontving een bestuurlijke boete van 4.000 euro wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De overtreding werd vastgesteld tijdens een controle op 21 april 2005. Eiser maakte bezwaar tegen het boetebesluit en stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
De rechtbank overweegt dat de termijn van 13 weken genoemd in artikel 19e, derde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) geen fatale termijn is. De boete was binnen de maximale termijn van twee jaar opgelegd, waardoor de bevoegdheid tot boeteoplegging niet was vervallen. De rechtbank oordeelt dat de overschrijding van de termijn geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het besluit.
Verder stelt de rechtbank vast dat de vreemdeling arbeid verrichtte ten dienste van eiser, ondanks diens stelling dat het om eigen eten ging. De verklaring van de vreemdeling werd als betrouwbaar beoordeeld. De rechtbank wijst het betoog af dat de boete aan de vennootschap onder firma is opgelegd, aangezien deze aan eiser persoonlijk is gericht.
De hoogte van de boete wordt als proportioneel beoordeeld in het licht van het doel van de Wav om illegale tewerkstelling te bestrijden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die matiging van de boete rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wordt ongegrond verklaard en de boete van 4.000 euro bevestigd.