ECLI:NL:RBHAA:2007:BA2034
Rechtbank Haarlem
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in bezwaar wegens te late indiening na juiste kennisgeving vervangende hechtenis
Veroordeelde diende op 22 februari 2007 een bezwaarschrift in tegen de kennisgeving van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) dat de uitvoering van vervangende hechtenis zou plaatsvinden. Deze hechtenis was opgelegd bij vonnis van 18 februari 2005 wegens het niet verrichten van een werkstraf.
De kern van het geschil betrof de vraag of de kennisgeving conform artikel 588, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) was betekend, omdat de raadsman van veroordeelde stelde dat dit niet het geval was en daardoor de termijn voor het indienen van het bezwaar niet was gaan lopen. De politierechter oordeelde dat de verzending van de kennisgeving door het CJIB aan de griffie per post, zoals geregeld in het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen en de Regeling bepalingen uitreiking van gerechtelijke mededelingen aan griffier, voldoende was en binnen de grenzen van een goede uitvoering bleef.
De rechtbank stelde vast dat de kennisgeving ook naar het GBA-adres van veroordeelde was gestuurd, conform de wettelijke voorschriften. Hierdoor was de termijn voor het indienen van het bezwaar wel degelijk gaan lopen. Omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend, werd veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.
De uitspraak werd gedaan door politierechter D. Kingma op 21 maart 2007 in het openbaar, waarbij tevens werd opgemerkt dat de afwijking van de wettelijke regeling gering was en het belang van een landelijke verwerking bij het CJIB zwaarder woog dan de formele uitreiking aan de griffier ter plaatse.
Uitkomst: Veroordeelde wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar wegens te late indiening na juiste kennisgeving.