ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1981

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
8 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/4360
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht opgelegde naheffingsaanslag BPM aan taxionderneming wegens niet bewezen inbouw kilometertelleronderbreker

In deze zaak heeft de Rechtbank Haarlem op 8 maart 2007 uitspraak gedaan in een geschil tussen V.O.F. Taxi 000, eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder. De zaak betreft een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) die aan eiseres was opgelegd voor het tijdvak van 6 mei 1998 tot en met 5 mei 2001. De naheffingsaanslag, ter hoogte van € 11.487, werd opgelegd op basis van een boekenonderzoek waaruit bleek dat er een kilometertelleronderbreker (kto) in de taxi van eiseres zou zijn ingebouwd. Eiseres heeft echter betwist dat er een dergelijke onderbreker was ingebouwd en heeft aangetoond dat de auto voor ten minste 90 procent voor taxivervoer werd gebruikt.

Tijdens de zitting op 10 januari 2007 heeft de gemachtigde van eiseres een pleitnota voorgedragen en bewijsstukken overgelegd. De rechtbank heeft de verklaringen van eiseres en de door verweerder ingebrachte bewijsstukken tegen elkaar afgewogen. De rechtbank concludeerde dat verweerder niet overtuigend had aangetoond dat er een kto was ingebouwd. De rechtbank oordeelde dat de administratie van eiseres, hoewel niet perfect, voldoende aannemelijk was en dat de verwerping van de administratie door verweerder niet aan de orde was.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres gegrond verklaard, de naheffingsaanslag tot nihil verminderd en verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres. Tevens werd bepaald dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt. De uitspraak is gedaan in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/4360
Uitspraakdatum: 8 maart 2007
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
V.O.F. Taxi 000, gevestigd te Z, eiseres,
gemachtigde: A),
en
de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Verweerder heeft met dagtekening 17 november 2003 aan eiseres over het tijdvak 6 mei 1998 tot en met 5 mei 2001 een naheffingsaanslag (aanslagnummer 000) belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd, ten bedrage van € 11.487, alsmede bij beschikking een boete van € 5.743.
1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 17 februari 2006 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 3.829.
1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 29 maart 2006, ontvangen bij de rechtbank op 30 maart 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007 te Haarlem. Namens eiseres is haar gemachtigde A verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B, C en D.
Gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt.
1.5. Nadat het onderzoek ter zitting op 10 januari 2007 was gesloten, is het onderzoek bij schrijven met dagtekening 18 januari 2007 heropend en heeft de rechtbank geïnformeerd over een nagekomen stuk van mr. G van 16 januari 2007. Partijen hebben de ontvangst daarvan bevestigd en op de inhoud daarvan niet nader gereageerd. Met toestemming van partijen als bedoeld in artikel 8:57 Awb heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Eiseres exploiteerde in de onderhavige periode een taxionderneming in de vorm van een vennootschap onder firma onder de naam V.O.F. Taxi 000. Vennoten waren X en Y. De onderneming is opgeheven met ingang van 14 mei 2001.
2.2. Voor haar onderneming beschikte eiseres in de periode 6 mei 1998 tot en met 14 mei 2001 over een Mercedes personenauto met kenteken NN-NN-00 (hierna: de auto). In het kader van de werkzaamheden als taxionderneming is aan eiseres het taxinummer 000 toegekend.
2.3. Voor de auto is op 6 mei 1998 deel 1 van het kentekenbewijs afgegeven. X is sindsdien kentekenhouder van de auto.
2.4. Na aankoop heeft eiseres bij E Taxi Installateur te Q (hierna: E) een taxameter, een mobiele antenne, een inbouw-mobilofoon, een carkit, een inbouw-handsfree en een extra antennekabel laten inbouwen.
2.5. Op verzoek van X is met toepassing van artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) per 7 september 1998 voor de auto vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend.
2.6. Bij X is in 2003 een boekenonderzoek ingesteld. In het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport van 16 juni 2003 is, voor zover van belang, onder punt 3.2. vermeld:
Uit de aan de Belastingdienst ter beschikking staande gegevens is gebleken dat in de auto met het kenteken NN-NN-00 een kilometertelleronderbreker is ingebouwd. Als de kilometertelleronderbreker tijdens het rijden is ingeschakeld blijven de kilometerteller, de snelheidsmeter en de dagteller normaal doorlopen. Pas na afloop van het gebruik van de onderbreker springt de kilometertellerstand terug naar de beginstand bij het inschakelen van de onderbreker. (...)
Op basis van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd.
2.7. In diverse door verweerder overgelegde processen-verbaal van de Rijksverkeersinspectie wordt door taxichauffeurs verklaard dat een kilometertelleronderbreker (hierna: kto) in hun taxi is ingebouwd en dat dit bij 90% van de Amsterdamse taxi’s het geval is.
2.8. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een bladzijde uit de bedrijfsagenda van E. Op een bladzijde met de datum 7 mei 1998 is vermeld:
“000 Merc. 220 inbouw telefoon div. taxameter 000-0000000”
2.9. In als bijlage 28 bij het verweerschrift overgelegde processen-verbaal van Fiod Vestiging Q en regiopolitie Q in verband met onderzoek naar mogelijke fraude binnen de taxibranche is door de eigenaar en medewerkers van het bedrijf dat zich bezighield met het inbouwen van taxameters onder meer verklaard:
“De omzet van de kilometertelleronderbrekers staat vaak geboekt onder balieverkoop of
diversen of handzenders, dit omdat degene die de kilometertelleronderbrekers kochten zich
niet bekend wilde maken of wilde worden.
(...)
Door (...) werden er in de jaren 1997, 1998 en 1999 gemiddeld zo’n zeven kilometeronderbrekers per week ingebouwd. Zeker weten doe ik dit niet. Het kunnen er ook meer geweest zijn. In ieder geval minder dan zeven zullen het er in ieder geval niet geweest zijn.”
2.10. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een bij een werknemer van E in beslag genomen schrift met aantekeningen. Deze werknemer heeft verklaard kto’s te hebben ingebouwd.
2.11. Eveneens tot de gedingstukken behoort een verklaring van autobedrijf F te R waarin, voor zover van belang, staat vermeld:
“Van beide Mercedessen met kenteken (...) en NN-NN-00 kan ik aan de kilometerstanden en het slijtage patroon van diverse onderdelen die in het archief bekend zijn en logisch verlopen niet concluderen dat er een km teller onderbreking aanwezig zou kunnen zijn.
Mocht dit het geval zijn dan vervalt bij Mercedes Benz ook de garantie en dit kan ik ook niet in het archief bij Mercedes Benz concluderen.”
2.12. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de teruggavebeschikking van 6 september 1999 ten name van AX, te Q, waarin, voor zover van belang, staat vermeld:
“1e periode kenteken NN-NN-00
BP-nummer 000
Beschikkingnummer 00000
Naam en adres van belanghebbende:
X
TAXI 000 (...)”
2.13. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de teruggavebeschikking van 26 juni 2000 ten name van VOF TAXI 000, waarin, voor zover van belang, staat vermeld:
“2e periode kenteken NN-NN-00
BP-nummer 000
Beschikkingnummer 0000000
Naam en adres van belanghebbende:
X
TAXI 000 (...)”
2.14. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de teruggavebeschikking van 20 oktober 2000 ten name van VOF TAXI 000, 0 waarin, voor zover van belang, staat vermeld:
“Kenmerk 0000.00.000.B00 (...)
3e periode (...) kenteken NN-NN-00 (...)
Gegevens belanghebbende: X, TAXI 000
(bankrekeningnummer (...) ten nave van VOF TAXI 000 te Z (...)”
2.15. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de naheffingsaanslag belasting personenauto’s van 17 november 2003, waarin, voor zover van belang, staat vermeld:
V.O.F. Taxi 000
t.a.v. Dhr. X
a-straat 00
0000 NN te R (...)
Op de belastingaanslag is in gelijkluidend handschrift vermeld:
“0000.000.000”, en “G”.
2.16. Bij rechtelijke uitspraak van 1 februari 2006 is Y in staat van faillissement verklaard. Curator is Mr. F.
3. Geschil
3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd, meer in het bijzonder of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de auto voor ten minste 90 procent voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt.
3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding alsmede naar hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. In artikel 1, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) is bepaald dat onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen’ een belasting wordt geheven met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s.
Artikel 5 van de Wet BPM bepaalt dat de belasting voor een geregistreerde personenauto wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld.
4.2. Artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM bepaalt dat een teruggaaf van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, wordt verleend in drie gelijke jaarlijkse termijnen voor personenauto’s die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer geldige vergunning, dan wel vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten. Artikel 16, vierde lid, van de Wet BPM bepaalt dat de teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken is gesteld.
De hiervoor genoemde voorwaarden en beperkingen zijn gesteld in het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Besluit).
In artikel 14, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat teruggaaf van belasting wordt verleend voor personenauto’s indien worden overgelegd: 1) een afschrift van de in artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM bedoelde vergunning, 2) een afschrift van de delen I, II en III van het bewijs dat ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor de personenauto, 3) een verklaring van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.
4.3. Met betrekking tot de aan X over de jaren 1999 en 2000 opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft de rechtbank in de zaken 06/4363, 06/4364, 06/4365 en 06/4366, voor zover hier van belang, als volgt overwogen:
“4.1. Ingevolge artikel 42, tweede en vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) worden bij het bepalen van winst uit onderneming de aan het houden van een personenauto verbonden kosten geacht tot een bedrag van ten minste twintig procent van de catalogusprijs - met inbegrip van de omzetbelasting en vermeerderd met de belasting van personenauto's en motorrijwielen - van de auto niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming, tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
4.2. Gelet op de tekst van de Wet IB 1964 rust op eiser de last om overtuigend aan te tonen dat de door hem geëxploiteerde auto voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Eiser is vrij in de wijze waarop hij dit bewijs levert.
4.3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de auto niet in privé is gebruikt en ontkent dat een kto is ingebouwd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de klacht geuit dat de Belastingdienst in het taxiproject een projectmatige benadering hanteert waardoor de individuele benadering van de belastingplichtige onder druk staat. Het is de rechtbank opgevallen dat de door verweerder ingediende stukken zijn gekopieerd van andere zaken zonder dat de gegevens zijn aangepast aan de onderhavige zaak, dat er stukken zijn welke in het geheel niet op de onderhavige zaak betrekking hebben of zodanig zijn geanonimiseerd dat daarin niet de door verweerder daaraan toegekende waarde kan worden toegekend.
4.4. Verweerder heeft de kilometeradministratie van eiser verworpen, er van uitgaande dat in de auto een kto is aangebracht. De bewijslast van de aanwezigheid van een kto in de auto rust, tegenover de ontkenning door eiser, op verweerder.
De kilometertelleronderbreker
4.5.1. Na afweging van de verklaring van eiser tegen de door verweerder ingebrachte bewijsstukken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat aan de stukken en hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd niet ontleend kan worden dat een kto is ingebouwd.
De omstandigheden die tot deze conclusie hebben geleid zijn de volgende.
4.5.2. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat hij de aanwezigheid van een kto afleidt en dat dat gebaseerd is op een combinatie van gegevens. De auto is op 6 mei 1998 op naam gesteld, vervolgens is op 7 mei 1998 een Mercedes bij E geweest. Verweerder heeft verklaard dat het gebruikelijk is een auto na aankoop direct taxiklaar te laten maken om het bedrijf te kunnen uitoefenen. In combinatie met de factuur acht verweerder een kto aanwezig en stelt dat diversen niet anders kan zijn dan een kto.
Uit het onder 2.6. vermelde agendablad blijkt dat er op 7 mei diverse werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Op de factuur zijn naast de telefoon en de taxameter meerdere werkzaamheden gespecificeerd. De opmerking diversen in de agenda kan naar het oordeel van de rechtbank aan deze meerdere werkzaamheden worden toegeschreven.
4.5.3. In het onder 2.8. vermelde schrift is geen verwijzing naar de onderhavige auto aangetroffen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het schrift aangeeft hoe de systematiek tot stand is gekomen, dat de onderhavige auto niet wordt aangetroffen omdat die werknemer in die periode geen Mercedessen van een kto voorzag en dat het schrift een algemeen deel van de bewijsvoering is.
4.5.4. Autobedrijf F heeft, blijkens de onder 2.9. vermelde verklaring, de aanwezigheid van een kto niet kunnen bevestigen.
4.5.5. De rechtbank acht de inbouw van een kto niet bewezen. Zij heeft dit oordeel uitsluitend gebaseerd op de stukken en de informatie die op de individuele zaak van eiser betrekking hebben. De stukken en informatie die, naar verweerder ter zitting heeft toegegeven, niet concreet betrekking op deze zaak hebben, zijn buiten beschouwing gelaten. Tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat een kto in de betreffende auto met het kenteken NN-NN-00 is ingebouwd.
De administratie
4.6.1. Verweerder heeft gesteld dat de administratie van eiser niet conform artikel 52 lid 1 AWR naar de eisen van het bedrijf zijn gevoerd en dat boeken, bescheiden en andere gegevens niet zodanig zijn bewaard dat te allen tijde de rechten en verplichtingen alsmede de overige voor de heffing van belastingen van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Verweerder heeft de kilometeradministratie gereconstrueerd en een aantal omissies geconstateerd. Ter zitting zijn deze punten als volgt besproken.
4.6.2. Verweerder heeft de administratie van eiser verworpen. Eiser heeft aangevoerd dat de heer G, controlemedewerker van verweerder, heeft gezegd dat de administratie er verzorgd uitziet. Verweerder heeft gesteld dat de administratie onvolledig is en heeft een gereconstrueerde kilometeradministratie samengesteld. Eiser heeft zich ter zitting beklaagd over de langdurige weigering van verweerder om deze gereconstrueerde administratie ter inzage te geven. Ter zitting heeft eiser de juistheid van deze reconstructie gemotiveerd betwist. Verweerder heeft 220 kilometer vermeld op de rittenkaart van 13 april 1999 niet in de reconstructie meegenomen waardoor er na deze datum een terugkerend verschil blijft. De overige verschillen heeft eiser verklaard aan de hand van de pleitnota, en laten zich, kort weergegeven, verklaren door niet meegenomen retourkilometers van garagebezoeken naar huis en verschillend tussen de opnamemomenten van het garagebedrijf en het opnamemoment in de administratie.
4.6.3. Met betrekking tot het verschil in de kilometerstand op 12 april 1999 tussen de door garage F opgenomen stand van 47.219 en de stand volgens de rittenkaartenadministratie van 46.976 acht de rechtbank het mogelijk dat de kilometerstand door het garagebedrijf onjuist overgeschreven is.
4.6.4. Aan de op 9 september 2000 tijdens een verkeerscontrole opgenomen meterstand van 124.284 hecht de rechtbank niet de waarde die verweerder daaraan toekent nu het procesverbaal van deze controle gedateerd is op 13 juni 2003 en kennelijk bijna drie jaar na dato is opgemaakt. Een vergissing ten aanzien van de in dit procesverbaal opgenomen informatie is door dit tijdverloop niet uit te sluiten.
4.6.5. Door de Belastingdienst is tweemaal geconstateerd dat er een passagier in onderhavige auto instapte terwijl het tijdstip van instappen niet geregistreerd staat in de administratie van eiser. De rechtbank trekt daaruit niet de conclusie dat er bij deze gelegenheden sprake is van privé-gebruik.
4.7. De rechtbank is van oordeel dat de administratie van eiser hiaten vertoont maar dat deze voldoende aannemelijk door eiser zijn verklaard. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verwerping van de administratie niet aan de orde is.”
4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1., 4.2. en 4.3 is opgenomen, heeft de inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige periode de auto ook voor privé-doeleinden aan X ter beschikking stond en dat de auto geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.
4.5. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag BPM ten onrechte aan eiseres is opgelegd. De overige geschilpunten behoeven geen behandeling meer. Het gelijk is aan eiseres. Het beroep zal gegrond worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).
6. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot nihil en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;
- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 8 maart 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dongen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier.
Afschrift verzonden aan partijen op:
De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.