ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1970
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM ten onrechte opgelegd wegens onduidelijkheid over teruggave aan vennootschap
Eiser, directeur en aandeelhouder van een BV die taxivoertuigen verhuurt, kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd over de periode 1997-1999. De aanslag volgde op een boekenonderzoek waarin werd vastgesteld dat in een auto een kilometertelleronderbreker was ingebouwd. De auto stond op naam van eiser, maar was eigendom van de BV.
De discussie in de procedure betrof of de naheffingsaanslag terecht aan eiser was opgelegd, dan wel aan de BV. De teruggaafbeschikkingen BPM waren aan eiser gericht, maar werden uitbetaald op een bankrekening van de BV. De rechtbank oordeelde dat uit de stukken niet met zekerheid kon worden vastgesteld aan wie de teruggaven waren verleend.
De rechtbank stelde vast dat de BPM slechts kan worden nageheven van degene aan wie de teruggaven zijn verleend. Omdat eiser en de BV niet als één persoon konden worden beschouwd en er twijfel bestond over de begunstigde, was naheffing aan eiser niet gerechtvaardigd.
Ook was onvoldoende bewijs dat eiser persoonlijk bepalingen van de belastingwet had overtreden waardoor te weinig belasting was geheven. De naheffingsaanslag werd daarom vernietigd. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM is vernietigd omdat niet kon worden vastgesteld aan wie de teruggaven waren verleend.