ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1409

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
22 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15/630706-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • Goossens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 3 Besluit DNA-onderzoek in strafzakenArt. 1 Penitentiaire beginselenwetArt. 2 lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 287 juncto 45 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging DNA-materiaal wegens niet-naleving wettelijke voorschriften bij afname

Op 8 februari 2007 diende de veroordeelde een bezwaarschrift in tegen het bevel tot afname van DNA-materiaal, dat op 25 januari 2007 was uitgevoerd. De afname was gebaseerd op een bevel van de officier van justitie van 16 januari 2007, na een veroordeling wegens poging tot doodslag.

De rechtbank beoordeelde het bezwaarschrift op 8 maart 2007 en stelde vast dat het bevel rechtsgeldig was gegeven, ook al was het niet door de zaaksofficier van justitie uitgevaardigd. Vervolgens onderzocht de rechtbank of de afname van het wangslijm plaatsvond conform artikel 3 van Pro het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, dat strikte eisen stelt aan de bevoegdheid en certificering van de persoon die het DNA-materiaal afneemt.

Uit de verklaring van de afname bleek dat niet was voldaan aan deze eisen: het ontbrak aan bewijs dat de afnemer, een badmeester, door de directeur van de penitentiaire inrichting was aangewezen en gecertificeerd. Ook ontbrak de bevestiging dat de veroordeelde geen bezwaar had tegen afname door een ander dan een arts of verpleegkundige.

Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaarschrift gegrond en beval de vernietiging van het afgenomen celmateriaal en het DNA-onderzoeksverslag.

Uitkomst: Het DNA-materiaal en het onderzoeksverslag worden vernietigd wegens niet-naleving van wettelijke voorschriften bij de afname.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
SECTOR STRAFRECHT
ENKELVOUDIGE RAADKAMER
Registratienummer: [nummer]
Parketnummer: [nummer]
Uitspraakdatum: 22 maart 2007
BESCHIKKING (art. 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden)
1. Ontstaan en loop van de procedure
Op 8 februari 2007 is op de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een door mr. E.M. Devis, advocaat, ingediend bezwaarschrift, gedateerd 8 februari 2007, van
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
domicilie kiezende te ([adres], ten kantore van mr. Devis, voornoemd.
Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 16 januari 2007 op 25 januari 2007 bij belanghebbende celmateriaal is afgenomen.
Op 8 maart 2007 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.
Voor veroordeelde is verschenen zijn raadsvrouwe mr. Devis, voornoemd.
Tevens was aanwezig was de officier van justitie mr. Hendriks.
Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.
2. Beoordeling
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend.
Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal d.d. 16 januari 2007 is gegrond op artikel 2 lid 1 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van veroordeelde op 27 november 2006 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank ter zake van artikel 287 juncto Pro 45 van het Wetboek van Strafrecht (poging tot doodslag).
Belanghebbende heeft, zakelijk weergegeven, onder meer aangevoerd dat:
- het bevel, nu dat niet is gegeven door de zaaksofficier van justitie, onbevoegd is gegeven;
- er sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet, nu hij een blanco strafblad heeft, eenmalig in de fout is gegaan en niet te verwachten is dat hij zich nogmaals aan een strafbaar feit zal schuldig maken;
- niet duidelijk is of de afname van het celmateriaal heeft plaatsgevonden door een daartoe bevoegd persoon.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift.
Naar het oordeel van de rechtbank vindt de stelling, dat het bevel tot afname van DNA-materiaal enkel gegeven kan door de zaaksofficier van justitie, geen steun in het recht.
Alvorens de rechtbank toekomt aan de beantwoording van de vraag of te dezen sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet, dient beoordeeld te worden of de afname van het celmateriaal van veroordeelde heeft plaatsgevonden overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
Artikel 3, derde lid, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken bepaalt:
Tot afname DNA-materiaal ingevolge bevel ex artikel 2 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden is - ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt - bevoegd een daartoe door de directeur van de inrichting aange-wezen persoon als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet, die voldoet aan bij ministeri-ële regeling vastgestelde eisen.
Artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet bepaalt:
onder ambtenaar of medewerker wordt verstaan: een persoon die een taak uitoefent in het kader van de tenuit-voerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
Artikel 8, tweede lid, van de Regeling DNA-onderzoek in strafzaken bepaalt:
De door de directeur van de inrichting aangewezen persoon als bedoeld in artikel 3, derde lid, van het besluit, dient met goed gevolg de door het Opleidingsinstituut DJI verzorgde en door de Stichting CEDEO erkende op-leiding "DNA-afname bij veroordeelden" te hebben afgelegd.
Uit de verklaring die is opgemaakt van het afnemen van het wangslijm blijkt niet dat de afname heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van Pro het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Met name ontbreekt daarin de vermelding dat:
- veroordeelde geen bezwaar heeft gemaakt tegen de afname door een ander dan een arts of verpleegkundige;
- de badmeester, die het DNA-materiaal (wangslijm) heeft afgenomen, daartoe door de directeur van de Penitentiaire Inrichting Midden Holland is aangewezen;
- die badmeester overeenkomstig voormelde regeling tot het afnemen van DNA-materiaal (wangslijm) is gecertificeerd.
Op grond van het voorgaande behoort te worden beslist als volgt.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het bezwaarschrift gegrond;
beveelt de vernietiging van het op 25 januari 2007 van belanghebbende afgenomen celmateriaal en het verslag van het daarop betrekking hebbende DNA-onderzoek.
4. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beschikking is op 22 maart 2007 gegeven door mr. Goossens, rechter,
in tegenwoordigheid van Van Velzen, griffier.