ECLI:NL:RBHAA:2006:BC2848
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling nalatenschap en rechtsgeldigheid koopovereenkomst verpachte onroerende zaken
De zaak betreft de verdeling van de nalatenschap van de erflater, overleden op 9 oktober 2003, tussen zijn twee dochters en zoon. De zoon was pachter van een stolpboerderij en omliggende percelen op grond van een pachtovereenkomst met koopovereenkomst onder opschortende voorwaarden. De dochters betwistten de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst en de eigendom van de verpachte onroerende zaken door de zoon.
De rechtbank oordeelde dat de zinsnede "bij de dood van de langstlevende" in de koopovereenkomst moet worden begrepen als "ten tijde van het overlijden van de langstlevende", waardoor de koopovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen. Op grond van testamentaire boedelverdeling is de zoon eigenaar geworden van de verpachte onroerende zaken. Omdat de erfgenamen de levering uit de koopovereenkomst niet kunnen nakomen, kan de zoon vervangende schadevergoeding vorderen, maar de rechtbank stelde vast dat er geen schade is omdat de waarde van de inbreng in de nalatenschap gelijk is aan de koopprijs.
Verder werd geoordeeld dat de melkproductierechten geen deel uitmaken van de nalatenschap omdat deze reeds aan de zoon waren overgedragen. De vorderingen van de dochters tot betaling van bedragen uit hoofde van het melkquotum werden afgewezen. De rechtbank hield verdere beslissingen aan en verwees de zaak naar een volgende rolzitting voor nadere behandeling van overige geschilpunten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is, de zoon eigenaar is van de verpachte onroerende zaken, en wijst de vorderingen tot levering en schadevergoeding af.