ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ5608
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op extinctieve verjaring wegens ontbreken aaneengesloten bezit van terras
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of gedaagde zich kon beroepen op extinctieve verjaring van het recht van eiser op grond van artikel 3:105 jo Pro. 3:306 BW. Gedaagde stelde dat hij vanaf 17 mei 1974 gedurende 20 aaneengesloten jaren het terras bij zijn appartement in gebruik had als eigenaar, wat zou leiden tot verjaring van het eigendomsrecht van eiser.
De rechtbank heeft uitgebreid getuigenverklaringen gewogen, waaruit bleek dat het terras weliswaar regelmatig werd gebruikt, maar uitsluitend bij mooi weer. Dit gebruik was daarmee niet continu, wat een vereiste is voor de toepassing van extinctieve verjaring. Ook was het terras niet duidelijk afgescheiden of ingericht als eigen perceel gedurende de vereiste periode.
Verder stond vast dat er vanaf 1974 een achterdeur bestond die toegang gaf tot het terras, maar dit volstond niet om te spreken van ongestoord en aaneengesloten bezit. De rechtbank concludeerde dat gedaagde niet had voldaan aan zijn bewijslast en wees de vordering af. Gedaagde werd veroordeeld tot het verwijderen van een serre op het terrein en het herstellen van de oorspronkelijke situatie, met een dwangsom bij niet-naleving.
De proceskosten werden aan de zijde van eiser toegewezen. Het vonnis werd in het openbaar uitgesproken op 6 september 2006 door mr. W.S.J. Thijs.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van gedaagde af wegens ontbreken van 20 jaar aaneengesloten bezit en veroordeelt tot verwijdering van de serre met herstel van de oorspronkelijke situatie.