ECLI:NL:RBHAA:2006:AY5987
Rechtbank Haarlem
- Voorlopige voorziening
- A.C.M. Rutten
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging WWB-uitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Verzoekster ontving sinds juni 2004 een WWB-uitkering als alleenstaande ouder. Verweerder beëindigde deze uitkering per 30 juni 2006 op grond van vermeende gezamenlijke huishouding met haar partner, mede gebaseerd op observaties en verklaringen. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde of er voldoende objectieve feiten waren om te concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Ondanks enkele waarnemingen, verklaringen van een buurvrouw en het kinderdagverblijf, ontbrak een gedegen en gericht onderzoek naar de feitelijke woonsituatie. Verweerder had onvoldoende onderzoek verricht, bijvoorbeeld naar de woning van de partner.
De rechter concludeerde dat de waarnemingen onvoldoende waren om te spreken van een gezamenlijke huishouding en dat het besluit tot beëindiging van de uitkering waarschijnlijk geen stand zal houden in de bodemprocedure. Gezien de financiële afhankelijkheid van verzoekster en haar kinderen werd onverwijlde spoed aangenomen en werd de voorlopige voorziening toegewezen, waarbij voorschotten werden toegekend en proceskosten werden vergoed.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de WWB-uitkering wordt niet beëindigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.