ECLI:NL:RBHAA:2006:AV7795
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.C.M. Rutten
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens aanvullende vut-cao uitkering niet gegrond
Eiser ontving vanaf 25 augustus 1997 een WW-uitkering na beëindiging van zijn dienstverband. Vanaf 16 december 2000 kreeg hij daarnaast een aanvullende uitkering op grond van de vut-cao voor de Suikerwerk- en Chocoladeverwerkende Industrie. Het UWV bracht deze aanvullende uitkering in mindering op de WW-uitkering, omdat deze volgens hen gelijkgesteld moest worden met ouderdomspensioen op grond van de regeling 'Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen'. Hierdoor werd een te hoge WW-uitkering betaald, die met terugwerkende kracht werd herzien en teruggevorderd.
Eiser betwistte dit en stelde dat de aanvullende uitkering een suppletie op de WW-uitkering is, bedoeld als vangnet voor werknemers die onvrijwillig werkloos werden en niet aan de voorwaarden voor vervroegde uittreding voldeden. De rechtbank nam de verklaring van een getuige-deskundige aan dat deze aanvullende uitkering geen vut-uitkering is en niet voldoet aan de criteria van een regeling tot vervroegde uittreding zoals bedoeld in de regeling.
De rechtbank concludeerde dat de aanvullende uitkering niet gelijkgesteld kan worden met ouderdomspensioen en daarom niet in mindering gebracht mag worden op de WW-uitkering. Het besluit van het UWV om de WW-uitkering te herzien en terug te vorderen werd vernietigd. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering wordt vernietigd.