ECLI:NL:RBHAA:2006:AV2783
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet nietig wegens ontbreken dringende reden en doorbetaling loon
Eiser trad in 2002 in dienst bij PBMG als Finance Manager. Na kritiek van de accountant op de financiële administratie en interne controle stelde PBMG onvoldoende vertrouwen in eiser en stelde hem op non-actief. Eiser werd op 25 mei 2005 op staande voet ontslagen wegens vermeend misbruik van positie, waaronder privégebruik van bedrijfsmiddelen en onrechtmatige betalingen.
Eiser betwistte het ontslag en stelde dat hij handelde binnen de bestaande praktijk van PBMG, waarbij ook andere werknemers en leidinggevenden soortgelijk werden behandeld. De kantonrechter oordeelde dat PBMG onvoldoende had onderbouwd dat het gedrag van eiser een dringende reden voor ontslag opleverde, mede omdat er geen duidelijke voorschriften waren omtrent het privégebruik van bedrijfsmiddelen en de praktijk binnen PBMG algemeen was.
De kantonrechter verklaarde het ontslag op staande voet nietig en veroordeelde PBMG tot betaling van loon en vakantietoeslag van 25 mei 2005 tot 1 augustus 2005, de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De vordering van PBMG tot schadevergoeding wegens dringende reden werd afgewezen, met uitzondering van een deel van de terug te betalen bekeuringen en de resterende schuld van eiser.
De proceskosten werden verdeeld: PBMG draagt de kosten in conventie, in reconventie werden de kosten gecompenseerd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is nietig verklaard en PBMG is veroordeeld tot doorbetaling van loon en vakantietoeslag tot het einde van de arbeidsovereenkomst.