ECLI:NL:RBHAA:2006:AV1651
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.G. Kemmers
- A.A. Fase
- H.A. Tulp
- Rechtspraak.nl
Navordering inkomstenbelasting wegens voordelen uit optierechten van Amerikaanse moedermaatschappij
Eiser was werknemer bij een Nederlandse dochter van een Amerikaanse moedermaatschappij en kreeg in 1998 optierechten toegekend. De inspecteur legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op over 1999 omdat eiser voordelen uit de optierechten niet had aangegeven. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bij de primitieve aanslag een beoordelingsfout maakte omtrent het moment waarop de opties onvoorwaardelijk werden, wat ambtelijk verzuim oplevert en geen nieuw feit vormt.
Voor wat betreft de uitoefening van de opties in december 1999 is echter sprake van een nieuw feit, omdat de inspecteur hiervan niet op de hoogte was bij de primitieve aanslag. Dit rechtvaardigt navordering. De rechtbank wijst het beroep van eiser af en bevestigt de navorderingsaanslag, waarbij het belastbaar inkomen wordt vastgesteld op ƒ 224.816 (€ 102.017).
Eiser betoogde onder meer dat de voordelen via loonbelasting bij de werkgever geheven hadden moeten worden en dat het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel waren geschonden. De rechtbank verwierp deze stellingen en oordeelde dat de inspecteur terecht de voordelen bij de werknemer in de inkomstenbelasting heeft betrokken. Ook een beroep op het EVRM faalde. De rechtbank achtte de behandeling door verschillende ambtenaren niet onzorgvuldig en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1999 wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.