ECLI:NL:RBHAA:2005:AU5690
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.M. Visser
- Rechtspraak.nl
Ontruiming woning na overlijden huurder ondanks beroep op voortzetting huur
Mevrouw, de oorspronkelijke huurster van een eengezinswoning, is overleden op 5 april 2005. Haar kinderen, de gedaagden, verblijven sindsdien in de woning en beroepen zich op voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Wooncompagnie vordert in kort geding onmiddellijke ontruiming omdat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
De kantonrechter overweegt dat hoewel de wet een voortzetting van de huur beschermt zolang de bodemprocedure niet onherroepelijk is beslist, een uitzondering geldt als het beroep op voortzetting kansloos is. In dit geval is het aannemelijk dat de gedaagden niet als voorthuurders worden erkend, omdat zij niet duurzaam een gemeenschappelijke huishouding met hun moeder voerden en geen urgentieverklaring of huisvestingsvergunning kunnen aantonen.
De rechter wijst de vordering tot ontruiming toe met een redelijke termijn van drie maanden om elders onderdak te zoeken. Tevens worden de kosten van de procedure aan de gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming toe met een termijn van drie maanden.