ECLI:NL:RBHAA:2005:AT9177
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- A.J. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Weigering voorlopige voorziening tot toewijzing woning ondanks bodemvonnis
In deze zaak vordert de vrouw in kort geding toewijzing van de woning aan haar en benoeming van een onzijdig persoon om de man te vertegenwoordigen, nadat de man een bodemvonnis niet nakomt waarin hem de woning is toegewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bodemvonnis kracht van gewijsde heeft en niet terzijde kan worden gesteld, ook niet op basis van een belangenafweging.
De vrouw stelt dat de man schriftelijk heeft verklaard zijn medewerking te verlenen aan het opleveren van zijn aandeel in de woning, en dat eerdere kortgedingvonnissen in haar voordeel zijn gewezen. Dit leidt echter niet tot een andere beoordeling, omdat deze verklaring dateert van vóór het bodemvonnis en de kortgedingvonnissen geen gezag van gewijsde hebben.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen betekent dat een onjuiste uitspraak alleen via rechtsmiddelen kan worden aangevochten. De vrouw kan de man niet dwingen tot medewerking zonder dat zij een recht daartoe heeft. De vordering wordt daarom afgewezen, met compensatie van de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vordering af en compenseert de proceskosten, waarbij het bodemvonnis onveranderd blijft.