ECLI:NL:RBHAA:2004:BA6527

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
19 oktober 2004
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15/088029-04
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Tielenius Kruijthoff
  • Van der Bijl
  • Roke
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DouanewetArt. 27 Wetboek van StrafvorderingArt. 56 Wetboek van StrafvorderingArt. 3a Opiumwet
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens onrechtmatige lichaamsinspectie door douaneambtenaar

De rechtbank Haarlem behandelde een zaak waarin verdachte werd onderzocht door douaneambtenaren op Schiphol. Tijdens deze controle werd verdachte, die minderjarig was, verzocht zich uit te kleden en te bukken, waarna de ambtenaar in de lichaamsholtes van het onderlichaam keek. Dit onderzoek vond plaats voordat sprake was van een verdenking in de zin van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank oordeelde dat artikel 17 van Pro de Douanewet zwar bevoegdheid geeft tot lijfsvisitatie, maar niet tot het schouwen van lichaamsholtes van het onderlichaam. De douaneambtenaren hadden geen uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid voor dit onderzoek, waardoor het onrechtmatig was. Tevens wees de rechtbank op de wettelijke regeling in artikel 56 Sv Pro die onderzoek in het lichaam aan strikte voorwaarden bindt.

Gezien de ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van verdachte en het ontbreken van wettelijke bevoegdheid, concludeerde de rechtbank dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard in de vervolging. Dit oordeel werd mede gebaseerd op het belang van bescherming van lichamelijke integriteit en de rol van de douane bij opsporing.

De rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk en merkte op dat Van der Bijl niet in staat was het vonnis mede te ondertekenen.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onrechtmatige lichaamsinspectie door douaneambtenaren.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
VESTIGING SCHIPHOL
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE STRAFKAMER
Parketnummer: 15/088029-04
Uitspraakdatum: 19 oktober 2004
Tegenspraak
VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van 19 oktober 2004 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats].
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
zij op of omstreeks 6 september 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
2.1 Ontvankelijkheid openbaar ministerie
De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijkheid moet worden verklaard in zijn vervolging. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat bij het onderzoek van verdachte, dat geheel in de controlesfeer plaatsvond aangezien er nog geen verdenking was, sprake is geweest van overschrijding van bevoegdheden door de douaneambtenaren. De douaneambtenaar heeft verdachte immers, door haar zich te laten uitkleden en bukken, in de holtes van haar onderlichaam gekeken. Aan de vereiste toestemming van de teamleider is niet voldaan. Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte minderjarig is.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
Het onderzoek bij verdachte vond plaats door een douaneambtenaar, op het moment dat zij nog geen verdachte was in de zin van artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering, zodat dat het onderzoek getoetst moet worden aan artikel 17 van Pro de Douanewet. Dit artikel geeft de douaneambtenaar de bevoegdheid om onder andere op luchthavens bij personen over te gaan tot lijfsvisitatie. Daaronder kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet worden begrepen hetgeen in casu heeft plaatsgevonden, te weten, dat de ambtenaar de verdachte heeft verzocht zich uit te kleden en zich te bukken, waarna de ambtenaar in de lichaamsholtes in haar onderlichaam heeft gekeken. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 17 van Pro de Douanewet 1995, evenals uit de Memorie van Toelichting op artikel 86 van Pro de aan die wet voorafgaande Algemene Wet inzake douane en accijnsen van 1957, “is de mogelijkheid om lijfsvisitatie toe te passen geboden omdat artikelen van kleine omvang gemakkelijk in de kleding kunnen worden verborgen”. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid, dat de wetgever niet heeft beoogd aan douaneambtenaren ook de bevoegdheid toe te kennen om onderzoek te plegen in het lichaam door de holtes van het onderlichaam te schouwen, zoals hier is geschied. Het controle onderzoek aan verdachte in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden zonder een daartoe uitdrukkelijk toegekende wettelijke bevoegdheid en is derhalve onrechtmatig. De rechtbank merkt voorts nog op dat de materie van onderzoek door opsporingsambtenaren aan en in het lichaam van een verdachte bij wet van 1 november 2001 nader is geregeld in artikel 56 van Pro het Wetboek van Strafvordering. In de Memorie van Toelichting op genoemd artikel wordt het schouwen van openingen en holtes van het onderlichaam aangemerkt als onderzoek in het lichaam, welk onderzoek aan strikte voorwaarden is verbonden.
De rechtbank is van oordeel, dat het onderhavige onderzoek een ernstige inbreuk vormt op de lichamelijke integriteit van verdachte. Deze overschrijding van de controlebevoegdheden heeft plaats gevonden voordat er sprake was van een voorbereidend onderzoek in de zin van 359 a Sv. De rechtbank rekent deze overschrijding het O.M. echter wel aan omdat de bescherming van de lichamelijke integriteit van personen, in het bijzonder voor wat betreft de intieme delen, van groot algemeen belang is. Bovendien is de douane als overheidsinstantie door het Openbaar Ministerie nauw betrokken bij de opsporing van met name opiumdelicten op de luchthaven en is deze vorm van onderzoek kennelijk mede met het oog daarop verricht. Op die grond is de rechtbank van oordeel, dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, hetgeen moet leiden tot de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging van verdachte.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn vervolging.
9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. Tielenius Kruijthoff, voorzitter,
mrs. Van der Bijl en Roke, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. Anema,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 oktober 2004.
Mr. Van der Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.