ECLI:NL:RBHAA:2004:AR7011
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betekening echtscheidingsverzoek en taalbegrip van de vrouw
In deze zaak speelt de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in een echtscheidingsverzoek waarbij de man de Nederlandse en de vrouw de Duitse nationaliteit bezit. De rechtbank bevestigt de Nederlandse rechtsmacht omdat de man zes maanden voorafgaand aan het verzoek in Nederland verbleef.
De betekening van het verzoekschrift aan de vrouw vond plaats via het Duitse Amtsgericht Hamburg, conform de EG-betekeningsverordening 1348/2000. De vrouw weigerde de stukken te accepteren vanwege de Nederlandse taal waarin zij waren gesteld. Dit wordt gezien als een gebrek in de betekening dat kan leiden tot nietigheid, tenzij de vrouw de taal begrijpt.
De rechtbank oordeelt dat de man de mogelijkheid moet krijgen om te bewijzen dat de vrouw de Nederlandse taal wel degelijk begrijpt, alvorens over nietigheid te beslissen. De behandeling van de zaak wordt daarom aangehouden en de man krijgt een termijn om zijn stelling schriftelijk te onderbouwen.
Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en stelt de man in de gelegenheid om te bewijzen dat de vrouw de Nederlandse taal begrijpt.