ECLI:NL:RBHAA:2004:AR6981
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot aanhouding procedure omgangsrecht minderjarige na terugtrekking teruggeleiding
De Centrale Autoriteit verzocht de rechtbank om de terugkeer van een minderjarige naar het Verenigd Koninkrijk te gelasten, dan wel afgifte aan de vader, nadat de moeder de minderjarige naar Nederland had overgebracht. De moeder verzette zich tegen het verzoek en stelde dat omgang beperkt moest blijven tot de feestdagen.
Tijdens de procedure sloten partijen een overeenkomst waarin werd bepaald dat de minderjarige niet permanent buiten Nederland zou worden gebracht zolang een procedure in het Verenigd Koninkrijk liep. Tevens werd omgang geregeld voor een weekend per maand, met een streven naar overnachtingen bij de vader. De vader trok het verzoek tot teruggeleiding in en vroeg de procedure voort te zetten op grond van artikel 21 van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
De rechtbank oordeelde dat artikel 21 geen Pro zelfstandig recht op omgang geeft, maar een opdracht aan de Centrale Autoriteit om het omgangsrecht te verwezenlijken. Het verzoek tot aanhouding werd afgewezen omdat het verzoek tot teruggeleiding was ingetrokken en partijen reeds een omgangsregeling hadden getroffen. De Centrale Autoriteit kan namens de vader optreden indien de overeenkomst niet wordt nageleefd.
Uitkomst: Het verzoek tot aanhouding van de procedure ex artikel 21 van het Verdrag wordt afgewezen nadat het verzoek tot teruggeleiding was ingetrokken.