2. De vaststaande feiten
In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:
a. [zoon] (hierna verder aangeduid als: [zoon]), geboren op [geboortedatum], is de zoon van de ouders.
b. Op 10 september 2004 heeft Bureau Jeugdzorg Kennemerland in samenspraak met de Jeugd Riagg Noord Holland Zuid een raadsmelding gedaan, met het verzoek om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van [zoon], en te bezien of een ondertoezichtstelling noodzakelijk was.
c. In het rapport d.d. 24 september 2000 van de Raad komt, onder meer, het volgende voor:
11. Interpretatie en beantwoording van de onderzoeksvragen
Is hulpverlening aan [zoon] in een gedwongen kader, in de vorm van een ondertoezichtstelling, noodzakelijk?
Ja. De Jeugdriagg is van mening dat hulpverlening noodzakelijk is, maar dat deze in een ambulante vorm onvoldoende zin heeft. Dagbehandeling en uithuisplaatsing in het vrijwillig kader zijn geprobeerd en hebben ook geen positief resultaat gehad. Plaatsing van [zoon] in een gesloten setting is geïndiceerd omdat [zoon] zichzelf in zeer gevaarlijke situaties begeeft, en ook mensen in zijn omgeving in gevaar brengt. Gezien de nieuwe informatie die ouders op 24 september 2004 geven, dient [zoon] onmiddellijk beschermd te worden, en is het onverantwoord om langs de reguliere weg een ondertoezichtstelling te vragen. Plaatsing in een gesloten behandelingssetting is noodzakelijk ter bescherming en voorkoming van escalatie.
11.1 Juridische vertaling
De Raad verzoekt om een voorlopige ondertoezichtstelling, voorafgaand aan een definitieve ondertoezichtstelling omdat [zoon] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en daarbij acuut ernstig gevaar loopt binnen de vrijheid die hij momenteel heeft. Plaatsing in een gesloten behandelingssetting is noodzakelijk ter bescherming en voorkoming van escalatie.
11.2 Vertaling voor de hulpverlening
De gezinsvoogd zal [zoon] moeten plaatsen in een gesloten behandelingssetting en verder doen wat nodig is om [zoon] te beschermen en te helpen.
12. Bespreking onderzoeksresultaten
Met ouders is het advies besproken. Ouders kunnen zich hierin vinden, omdat zij zien dat het onontkoombaar is. Aan [zoon] zal, gezamenlijk met de gezinsvoogd worden uitgelegd welk besluit er is genomen en waarom. Dit gesprek zal heden plaatsvinden, zodra de beschikking en machtiging uithuisplaatsing is afgegeven.
13. Besluit
De kinderrechter verzoeken de minderjarige [zoon] onder toezicht te stellen van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdbescherming te Haarlem, voor de periode van één jaar en deze maatregel met onmiddellijke ingang voorlopig uit te spreken voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter voor de minderjarige [zoon] een machtiging uithuisplaatsing af te geven voor de duur van de ondertoezichtstelling in een gesloten inrichting.
14. Belanghebbenden
Vader, moeder, [zoon].
d. Naar aanleiding van het telefonisch verzoek van de Raad, heeft de kinderrechter van deze rechtbank op 24 september 2004 (bij twee afzonderlijke beschikkingen) beslist dat:
- [zoon] met ingang van die datum voorlopig onder toezicht werd gesteld voor de duur van drie maanden (hierna aangeduid als: de VOTS);
- Jeugdzorg werd benoemd tot gezinsvoogdij-instelling, en
- machtiging werd verleend tot plaatsing van [zoon] met ingang van 24 september 2004 tot 24 december 2004 in een gesloten voorziening voor crisisopvang, als bedoeld in artikel III lid 1 van de Bijlage behorende bij de Wet op de Jeugdhulpverlening, (hierna aangeduid als: de MUHP).
e. De ouders zijn op 28 september 2004 door de inmiddels door Jeugdzorg aangestelde gezinsvoogd op de hoogte gebracht dat er een plek was voor [zoon] op Eikenstein te Zeist. De ouders hebben diezelfde dag inlichtingen ingewonnen over Eikenstein, toen werd hen duidelijk dat Eikenstein een justitiële jeugdinrichting (jeugdgevangenis) betreft.
f. Ondanks de bezwaren van de ouders, heeft plaatsing van [zoon] op Eikenstein doorgang gevonden. Met ingang van 29 september 2004 verblijft [zoon] op Eikenstein.
g. Op 5 oktober 2004 zijn beide verzoeken van de Raad ter terechtzitting behandeld. [zoon] heeft ter gelegenheid van die zitting aangegeven dat hij niet naar huis terugwilde en het naar zijn zin had op Eikenstein.
h. De GZ-psycholoog van de Jeugd Riagg Noord Holland Zuid heeft d.d. 2 november 2004 een brief met betrekking tot de plaatsing van [zoon] opgesteld, waarin het volgende staat vermeld:
[...]
Gezien het bovenstaande hebben wij vanuit de Jeugdriagg-NHZ dan ook het dringende advies [zoon] over te plaatsen naar een niet justitiële besloten behandelsetting, waar (voor zijn eigen veiligheid) de mogelijkheid bestaat zijn vrijheid aan banden te leggen.
i. Op 9 november 2004 was er (nog) geen hoger beroep ingesteld tegen de MUHP.