ECLI:NL:RBHAA:2003:AO3628
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onderhoudsbijdrage voor kind uit langdurige buitenechtelijke relatie ondanks ontbreken samenwoning
De rechtbank Haarlem behandelde een zaak waarin de vrouw een onderhoudsbijdrage vorderde voor haar minderjarige kind, verwekt door de man met wie zij een langdurige buitenechtelijke relatie had gehad. Hoewel partijen nooit samenwoonden, stelde de rechtbank vast dat de wettelijke onderhoudsplicht inhoudt dat het kind recht heeft op een welstand die gerelateerd is aan het inkomen van beide ouders.
Uit DNA-onderzoek bleek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de man de biologische vader is, waardoor hij onderhoudsplichtig is op grond van artikel 1:394 BW Pro. De man stelde dat de behoefte van het kind moest worden berekend op basis van het netto inkomen van de vrouw, omdat er geen samenwoning was geweest. De vrouw betoogde dat de behoefte moest worden gebaseerd op het gezamenlijke netto gezinsinkomen, omdat zij en de man bewust een kind hadden gekregen en een gezinsverband hadden gepland.
De rechtbank volgde de vrouw en stelde vast dat de vraag of partijen samenwoonden niet doorslaggevend is voor de onderhoudsplicht. De man had een langdurige relatie met de vrouw, die voortduurde tot na de geboorte van het kind, en hij had de intentie tot omgang met het kind. De rechtbank berekende de behoefte van het kind op basis van het netto besteedbaar inkomen van beide ouders en legde de man een maandelijkse bijdrage van €800 op, ingaande 1 mei 2003. De bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De man is verplicht vanaf 1 mei 2003 maandelijks €800 te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.