ECLI:NL:RBHAA:2003:AO1229
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.J.P. Veenhof
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag bij arbeidsovereenkomst bepaalde tijd
Eiser trad op 1 september 2001 in dienst bij Martinair met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 31 augustus 2002. In de aanstellingsbrief was een opzegtermijn van een maand opgenomen. Op 25 juli 2002 vond een functioneringsgesprek plaats waaruit bleek dat eiser niet naar tevredenheid functioneerde. Martinair bevestigde per brief van die datum dat het dienstverband op 1 september 2002 zou eindigen.
Eiser vorderde onder meer betaling van salaris, vakantiedagen, vakantiegeld en een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Hij stelde dat de opzegtermijn niet was nageleefd en dat hem een contract voor onbepaalde tijd was toegezegd. Martinair betwistte dit en stelde dat de opzegging rechtmatig was en dat de vorderingen verjaard waren.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst moest worden opgezegd vanwege de opgenomen opzegtermijn en dat de brief van 25 juli 2002 als opzegging geldt. De verjaring van de vorderingen was door brieven van eiser gestuit, zodat de dagvaarding tijdig was ingediend. De opzegging werd niet kennelijk onredelijk geacht, omdat de slechte functioneren van eiser de reden was en geen sprake was van een valse reden.
De overige vorderingen tot betaling van salaris, vakantiedagen en vakantiegeld werden afgewezen omdat deze bedragen reeds waren voldaan of niet uitbetaalbaar waren volgens de CAO. De buitengerechtelijke incassokosten werden eveneens niet toegewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag en overige betalingsvorderingen worden afgewezen.