ECLI:NL:RBHAA:2002:AD9217
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid beleidsregel en opheffing autoveerverbindingen Noordzeekanaal
In deze zaak vorderen zes gemeenten dat de Staat wordt verboden om een van de twee autoveren te Velsen uit de vaart te nemen en verdere uitvoering van de beleidsregel omtrent veerverbindingen over het Noordzeekanaal te staken. De gemeenten stellen dat de beleidsregel strijdig is met de publiekrechtelijke rechtsplicht van de Staat om voldoende oeververbindingen te onderhouden en dat de voorbereiding en motivering van de beleidsregel onvoldoende zijn.
De rechtbank stelt vast dat een absolute rechtsplicht om alle nadelige gevolgen van het kanaal voor de gemeenten op te heffen anno 2002 niet bestaat, maar dat de Staat wel moet zorgen voor een redelijk niveau van bereikbaarheid. De rechtbank beoordeelt de maatregelen in twee fasen: het uit de vaart nemen van het tweede autoveer te Velsen (fase 1) en het vervangen van autoveren door fiets/voetgangersveren (fase 2).
Fase 1 wordt niet onrechtmatig bevonden, omdat de resterende capaciteit en frequentie redelijk zijn en de financiële onderbouwing voldoende is. Fase 2 wordt echter onrechtmatig geacht omdat de belangen van brommobielen en langzaam verkeer onvoldoende zijn onderzocht, de verkeersbelasting en veiligheid op de aan- en afvoerroute naar het enige overblijvende autoveer niet in kaart zijn gebracht, de gevolgen voor calamiteitenbestrijding niet adequaat zijn gecompenseerd en de financiële besparingen onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt.
De rechtbank weigert de gevraagde voorzieningen, spreekt een voorlopig oordeel uit over de onrechtmatigheid van fase 2 zolang genoemde punten niet zijn opgelost en compenseert de proceskosten zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat fase 2 van de beleidsregel onrechtmatig is zolang belangrijke aspecten niet zijn onderzocht en weigert de gevraagde voorzieningen.