ECLI:NL:RBGRO:2012:BY7650
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.H.A. Fransen
- L.W. Janssen
- J. van Bruggen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid en vrijspraak wegens ontbreken opzet en onvoldoende bewijs bij intellectuele eigendomsfraude
De rechtbank Groningen behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van intellectuele eigendomsfraude, waaronder het gebruik van valse of vervalste woord- en beeldmerken en het verspreiden van auteursrechtelijk beschermd materiaal. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 voorwaardelijk.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot vervolging kon overgaan voor het tweede tenlastegelegde feit, omdat het civiele recht in deze zaak prioriteit heeft en het strafrecht alleen bij uitzondering en bij algemeen belang ingezet mag worden. Er was geen aanwijzing dat verdachte op grote schaal en beroepsmatig handelde of betrokken was bij georganiseerde misdaad.
Verder sprak de rechtbank verdachte vrij van de overige tenlastegelegde feiten, omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was geleverd dat verdachte opzettelijk handelde met het oogmerk tot bedrog of oplichting. Ook was niet gebleken dat de gebruikte merken vals of vervalst waren, mede omdat de Kamer van Koophandel de term 'handelsregister' niet exclusief had geregistreerd.
De rechtbank concludeerde dat verdachte weliswaar nalatig en onverantwoord had gehandeld door niet in te grijpen bij het gebruik van de website en het logo, maar dat dit niet volstond voor een strafrechtelijke veroordeling. De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard voor het tweede feit en verdachte werd vrijgesproken van de overige tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard voor een onderdeel van de vervolging en verdachte is vrijgesproken van de overige tenlastegelegde feiten.