ECLI:NL:RBGRO:2012:BY5975
Rechtbank Groningen
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot herstel arbeidsovereenkomst en bevel tot tewerkstelling wegens kennelijk onredelijk ontslag
De werknemer [A] vordert in kort geding herstel van zijn arbeidsovereenkomst met [B], nadat deze op bedrijfseconomische gronden was opgezegd met toestemming van het UWV. [A] stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat het afspiegelingsbeginsel niet correct is toegepast; hij voert aan dat een collega, [C], ten onrechte als voorbewerker/spuiter is gepresenteerd terwijl deze hetzelfde werk deed als autoschadehersteller.
De werkgever [B] betwist de ontvankelijkheid en spoedeisendheid van de vordering en stelt dat het UWV correct heeft getoetst en het afspiegelingsbeginsel juist is toegepast. [B] voert verder aan dat er een verstoorde arbeidsverhouding is en onvoldoende werk voor [A].
De kantonrechter oordeelt dat de zaak wel geschikt is voor kort geding en dat er spoedeisend belang is. Uit de overgelegde verklaringen en stukken blijkt voldoende aannemelijk dat [C] dezelfde functie vervulde als [A], waardoor het afspiegelingsbeginsel niet correct is toegepast. Het ontslag is daarmee kennelijk onredelijk. Het herstel van de arbeidsovereenkomst wordt echter afgewezen vanwege het constitutieve karakter van een dergelijke beslissing in kort geding. Wel wordt [B] veroordeeld tot tewerkstelling van [A] in zijn functie op de gebruikelijke voorwaarden, onder verbeurte van een dwangsom. De gevorderde voorschotbetaling op schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. [B] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot herstel arbeidsovereenkomst afgewezen, maar werkgever veroordeeld tot tewerkstelling werknemer wegens kennelijk onredelijk ontslag.