ECLI:NL:RBGRO:2012:BV9138
Rechtbank Groningen
- Kort geding
- D.A. Flinterman
- Rechtspraak.nl
Voorlopige verblijfsregeling minderjarige in afwachting van bodemprocedure
In deze kort geding procedure staat centraal bij wie het twaalfjarige kind [A] voorlopig dient te verblijven, in afwachting van een bodemprocedure over het hoofdverblijf. Partijen, de moeder en vader, zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Er bestond een omgangsregeling waarbij het kind bij de moeder verbleef en de vader het kind eens per veertien dagen een weekend mocht ontvangen. Na een omgangsweekend in februari 2012 is het kind niet teruggekeerd naar de moeder, maar heeft hij verklaard bij de vader te willen verblijven.
De moeder vordert dat het kind binnen 24 uur aan haar wordt afgegeven, onder dreiging van een dwangsom, omdat de vader hiermee in strijd met de afspraken zou handelen. De vader verzoekt juist dat het kind voor de duur van de bodemprocedure bij hem blijft, mede omdat het kind dit wenst en hij de continuïteit van de schoolopleiding wil waarborgen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van het kind voorop staat en dat het kind momenteel gebaat is bij rust en stabiliteit die hij bij de vader lijkt te vinden. Er zijn geen feiten die de verklaring van het kind in twijfel trekken. Daarom wordt het verzoek van de moeder afgewezen en wordt bepaald dat het kind voorlopig bij de vader verblijft. Tevens wordt een omgangsregeling vastgesteld waarbij de moeder het kind eens per veertien dagen een weekend mag ontvangen. De Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht een onderzoek te starten en te rapporteren in de bodemprocedure.
Uitkomst: Het kind verblijft voorlopig bij de vader tot de bodemprocedure is afgerond, met een omgangsregeling voor de moeder.