ECLI:NL:RBGRO:2012:BV2860

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
31 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
122160 - FA RK 10-2569
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.W.Th. Buijtenhuijs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling co-ouderschap en kinderalimentatie bij beëindiging huwelijk

De rechtbank Groningen heeft op 31 januari 2012 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de vaststelling van co-ouderschap en kinderalimentatie na de echtscheiding van partijen. De kinderen verblijven afwisselend bij beide ouders, waarbij vakanties en feestdagen in onderling overleg worden verdeeld. De rechtbank gaat uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van ongeveer €4.500,- per maand en bepaalt op basis van de Nibud-tabel 2010 een behoefte van €1.212,- per maand voor beide kinderen gezamenlijk.

De rechtbank houdt bij de berekening rekening met het feit dat de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning voor de helft wordt meegenomen, omdat beide partijen voor de onverdeelde helft eigenaar zijn. Tevens wordt een pensioenleemte bij de man betrokken. De kosten van omgang worden buiten beschouwing gelaten omdat de kinderen ongeveer evenveel tijd bij beide ouders doorbrengen.

Uit de draagkrachtberekeningen blijkt dat beide ouders voldoende financiële draagkracht hebben om in de kosten van verzorging en opvoeding te voorzien. Daarom wordt de wederzijdse bijdrage in deze kosten op nihil gesteld met ingang van 1 februari 2012. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: De wederzijdse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding wordt op nihil vastgesteld vanwege gelijke zorgverdeling en voldoende draagkracht.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Civielrecht
zaaknr.: 122160/FA RK 10-2569
31 januari 2012
in de zaak van:
v e r z o e k e r,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.C. Lich,
en
v e r w e e r s t e r,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. C. Kamp-Wiggers.
PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft op 3 mei 2011 een (tussen-) beschikking gegeven.
Op 27 juni 2011 is ter griffie een F9-formulier van mr. Lich ontvangen, met als bijlage een draagkrachtberekening met bijlagen.
Ter griffie is op 14 juli 2011 en akte overlegging stukken van mr. Kamp-Wiggers ontvangen.
Bij deze akte heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd en vermeerderd en heeft zij verzocht om te bepalen:
- dat tussen partijen een co-ouderschap heeft te gelden met betrekking tot hun minderjarige kinderen [B.] en [A.], waarbij de kinderen afwisselend de ene week bij de vrouw zijn en de week daarna bij de man, met als wisseldag de woensdag na school en dat vakanties en feestdagen bij helfte in onderling overleg verdeeld worden (waarbij over het algemeen uitgangspunt is dat de regeling doorloopt) en waarbij [A.] staat ingeschreven op het adres van de vrouw en [B.] op het adres van de man;
- dat de man ter zake bij vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag zal voldoen van € 140,- per kind per maand.
De zaak is voor wat betreft het hoofdverblijf, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en
de kinderalimentatie behandeld ter zitting met gesloten deuren van 28 juli 2011.
Daarbij zijn partijen en hun advocaten verschenen en gehoord.
Mr. Kamp-Wiggers heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.
Op 20 september 2011 is ter griffie een faxbericht van mr. Kamp-Wiggers ontvangen.
Ter griffie is op 23 september 2011 een brief met bijlagen d.d. 22 september 2011 van mr. Lich ontvangen.
Op 26 september 2011 is ter griffie een faxbericht van mr. Kamp-Wiggers ontvangen.
Ter griffie is op 7 november 2011 een F9-formulier van mr. Kamp-Wiggers ontvangen met als bijlage een faxbericht.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen-) beschikking van
3 mei 2011.
Bij die beschikking is de echtscheiding uitgesproken. Verder is de beslissing over het hoofdverblijf,
de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding aangehouden.
De zaak is verwezen naar de zitting met gesloten deuren van 28 juli 2011.
Partijen zijn verzocht de in de beschikking omschreven recente financiële informatie te verschaffen.
de beëindiging van het huwelijk
Het huwelijk van partijen is op 6 juni 2011 beëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Partijen hebben overeenstemming bereikt over een co-ouderschapsregeling.
De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen zoals hierna in het dictum is weergegeven.
Een omgangsregeling zal niet worden vastgelegd, niet alleen omdat [B.] inmiddels zestien jaar oud is en zij zelf moet kunnen bepalen wanneer zij bij haar vader/moeder wil zijn, maar ook omdat is gebleken dat [A.] in de praktijk ongeveer evenveel tijd bij moeder als bij vader doorbrengt.
de kinderalimentatie
Partijen verschillen van mening over de behoefte van [B.] en [A.] en over de te betalen bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding.
Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en van hetgeen door en/of namens partijen is aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.
de behoefte
Voor de berekening van de behoefte van [B.] en [A.] gaat de rechtbank uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste periode van hun huwelijk.
Hoewel hierover geen volledige duidelijkheid is verkregen is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk om bij de vrouw uit te gaan van een besteedbaar inkomen in die periode van ongeveer
€ 1.600,- per maand en bij de man van ongeveer € 2.900,- per maand. Het totale netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg dus ongeveer € 4.500,- per maand.
Gelet op de leeftijd van beide kinderen leidt dit gezinsinkomen volgens de Nibudtabel 2010 tot een behoefte van € 1.045,- per maand. Dit bedrag dient volgens de toepasselijke Tremanormen, nu het om een vorm van co-ouderschap gaat, ter zake van de woonlasten te worden vermeerderd met 16%. Hierdoor komt de totale behoefte neer op (afgerond) € 1.212,-, € 606,- per kind per maand.
Na de wettelijke indexering op 1 januari 2012 bedraagt deze behoefte € 619,40 per kind per maand.
De rechtbank laat de ontvangen kinderbijslaggelden buiten de behoefteberekening, omdat ieder van partijen deze gelden ontvangt ten behoeve van het kind dat op zijn/haar GBA-adres staat ingeschreven.
de inkomsten
Hoewel de inkomsten uit het bedrijf van de man enigszins terug zijn gelopen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de bedrijfswinst gemiddeld € 5.000,- per jaar bedraagt, dan wel dat een dergelijke winst zou moeten kunnen worden behaald.
Omdat de man met zijn werkzaamheden in loondienst - inclusief 8% vakantietoeslag - bruto € 2.937,38 per maand verdient bedragen zijn totale brutojaarinkomsten € 40.248,61.
Uit de door haar overgelegde (meest recente) specificatie over de maand juni 2011 blijkt dat de vrouw met haar werkzaamheden in loondienst bij het UWV, inclusief de bijdrage van de werkgever in de levensloopregeling, 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering een brutojaarloon genereert van (afgerond) € 30.945,-.
De vergoeding die de vrouw van haar werkgever ontvangt ter bestrijding van haar reiskosten wordt niet meegenomen als inkomenspost, omdat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze vergoeding overeenkomt met de kosten die ter zake daadwerkelijk door haar worden gemaakt.
de lasten
Na het feitelijk uit elkaar gaan van partijen is de man in de voormalige echtelijke woning blijven wonen.
Omdat ieder van partijen voor de onverdeelde helft eigenaar is van deze (al geruime tijd te koop staande) woning wordt aan de zijde van de man “boven de streep” rekening gehouden met de helft van de door hem betaalde hypotheekrente en met het volledige woningforfait.
De man heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat er bij hem sprake is van een pensioenleemte en dat hij daarom in 2008 genoodzaakt is geweest om ter zake een aanvullende voorziening bij de RVS te treffen.
Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk om de hieraan verbonden maandelijkse last van
€ 150,- in de draagkrachtberekening te betrekken.
Met kosten van omgang wordt geen rekening gehouden omdat de kinderen in de praktijk bij beide ouders ongeveer evenveel tijd doorbrengen en de kosten dus tegen elkaar kunnen worden weggestreept. Bovendien hebben partijen over deze kosten ook geen, dan wel onvoldoende, duidelijkheid verschaft.
Omdat er sprake is van een vorm van co-ouderschap gaat de rechtbank zowel bij de man als bij de vrouw uit van de norm van een alleenstaande en van een draagkrachtpercentage van 70.
Gelet op het vorenoverwogene en op basis van de overgelegde en niet dan wel onvoldoende, bestreden financiële gegevens, komt de rechtbank tot brutoberekeningen van de draagkracht van partijen volgens het INA-alimentatieberekeningsprogramma (versie 2012-1), die aan deze beschikking zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.
Uit deze berekeningen blijkt dat de man maandelijks ten behoeve van de kinderen een bedrag van
€ 647,- overhoudt en de vrouw € 710,- per maand.
De draagkracht van ieder van partijen afzonderlijk overstijgt dus de behoefte van [B.] en [A.] die thans € 619,40 per kind per maand bedraagt.
Omdat er sprake is van een vorm van co-ouderschap waarbij [B.] staat ingeschreven op het
GBA-adres van de man en [A.] op dat van de vrouw en het er in de praktijk op neer zal komen dat partijen ieder de helft van de kosten van de dagelijkse verzorging en opvoeding voor zijn/haar rekening zal nemen, zal de rechtbank de over en weer door partijen te betalen bijdrage in deze kosten op nihil bepalen en wel met ingang van 1 februari 2012.
BESLISSING
stelt vast dat tussen partijen co-ouderschap heeft te gelden met betrekking tot hun minderjarige kinderen [B.] en [A.], waarbij de kinderen afwisselend de ene week bij de vrouw zijn en de week daarna bij de man, met als wisseldag de woensdag na school en dat vakanties en feestdagen bij helfte in onderling overleg tussen partijen worden verdeeld (waarbij over het algemeen uitgangspunt is dat de regeling doorloopt) en waarbij [A.] staat ingeschreven op het adres van de vrouw en [B.] op het adres van de man;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A.] met ingang van 1 februari 2012 op nihil;
bepaalt de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [B.] met ingang van 1 februari 2012 op nihil;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.Th. Buijtenhuijs en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 31 januari 2012, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.