ECLI:NL:RBGRO:2011:BR7051
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte brandstichting houten garage met onvoldoende bewijs
De rechtbank Groningen behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk aansteken van brand in een houten garage en het veroorzaken van gevaar voor omliggende woningen en bewoners. De officier van justitie stelde dat verdachte met behulp van camerabeelden en forensisch onderzoek kon worden bewezen als dader.
Verdachte werd op videobeelden gezien met een fles thinner in de hand in de nabijheid van de brandlocatie ruim een uur voor de brandmelding. Het NFI-rapport gaf aan dat de brand mogelijk al een uur had gewoed voordat deze werd ontdekt, maar kon niet met zekerheid vaststellen wanneer en hoe de brand was ontstaan. Daarnaast was slechts één van de twee brandmonsters mogelijk afkomstig van de thinner die bij verdachte was aangetroffen.
De verdediging voerde aan dat de videobeelden niet als bewijs mochten dienen omdat ze onrechtmatig waren verkregen en dat verdachte een plausibele verklaring had voor zijn aanwezigheid. Ook werd betwist dat er sprake was van levensgevaar en dat het NFI-rapport onvoldoende onderbouwd was. De rechtbank oordeelde dat ondanks ernstige bezwaren en wisselende verklaringen van verdachte, het bewijs onvoldoende was om de brandstichting wettig en overtuigend vast te stellen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastelegging en verklaarde de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van de uitspraak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van brandstichting.