ECLI:NL:RBGRO:2011:BR0136

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
29 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
18/670297-06.
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 509o Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering verlenging terbeschikkingstelling wegens prematuriteit

De rechtbank Groningen behandelde op 29 juni 2011 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene. Betrokkene was sinds 3 juli 2008 ter beschikking gesteld en de terbeschikkingstelling was laatstelijk verlengd met twee jaar op 13 oktober 2010, waartegen betrokkene hoger beroep had ingesteld bij het gerechtshof Arnhem. De officier van justitie diende een nieuwe vordering in tot verlenging met één jaar, vooruitlopend op een mogelijke beslissing van het hof.

Tijdens de zitting op 15 juni 2011 betoogde de raadsman van betrokkene dat de vordering prematuur was en niet-ontvankelijk verklaard moest worden, mede omdat deze niet was onderbouwd met een gedegen verlengingsadvies. De rechtbank oordeelde dat volgens artikel 509o Sv een vordering tot verlenging niet eerder dan twee maanden voor afloop van de termijn mag worden ingediend. Hoewel een kort voor die termijn ingediende vordering niet altijd niet-ontvankelijk hoeft te zijn, voorziet het wettelijke systeem niet in een 'pro forma' vordering zoals deze.

Omdat er nog geen onherroepelijke beslissing lag over de eerdere verlengingsvordering en het hof het hoger beroep nog niet had behandeld, was de nieuwe vordering prematuur en zonder wettelijke grondslag. De rechtbank verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling wegens prematuriteit.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector strafrecht
Parketnummer: 18/670297-06
Kenmerk: Rk 11/336 (vordering verlenging terbeschikkingstelling)
datum uitspraak: 29 juni 2011
BESLISSING
van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Groningen van 13 mei 2011, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 18 mei 2011, strekkende tot verlenging met één jaar van de termijn gedurende welke van kracht is de last tot terbeschikkingstelling van:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans verblijvende in de Van der Hoevenkliniek te Utrecht.
hierna te noemen "betrokkene".
Bij vonnis van deze rechtbank van 21 maart 2007 werd betrokkene ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De terbeschikkingstelling is op 3 juli 2008 ingegaan en is door deze rechtbank laatstelijk verlengd met twee jaar bij beslissing van 13 oktober 2010.
Door of namens betrokkene is op 13 oktober 2010 hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op dit beroep is nog niet beslist door het gerechtshof te Arnhem.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling d.d. 13 mei 2011;
- het verlengingsadvies, ondertekend door drs. M. Kossen, psychiater, directeur zorg en plv. hoofd van de inrichting, en drs. A.R.A.M. Geraerts, gz-psycholoog en hoofd behandeling, beiden verbonden aan de Van der Hoevenkliniek te Utrecht.
De rechtbank heeft ter openbare zitting van 15 juni 2011 de officier van justitie, betrokkene en diens raadsman mr. O.G. Schuur, advocaat te Groningen, gehoord.
Beoordeling
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar. Als toelichting heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat indien het gerechtshof te Arnhem de terbeschikkingstelling niet met twee jaar, maar slechts met één jaar, zou verlengen de terbeschikkingstelling direct zou eindigen en dat daarom het indienen en de behandeling van deze vordering noodzakelijk is. Betrokkene is daarbij, aldus de officier van justitie, niet in zijn belangen geschaad indien de rechtbank de vordering in behandeling neemt. Vervolgens zou de rechtbank de behandeling kunnen aanhouden voor onbepaalde tijd in afwachting van het arrest van het gerechtshof.
De raadsman heeft ter zitting betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Primair komt de raadsman tot deze stelling omdat de vordering prematuur is ingediend. Subsidiair komt de raadsman tot niet-ontvankelijk verklaring omdat de vordering niet is onderbouwd met een gedegen verlengingsadvies en de wettelijke aantekeningen over de afgelopen periode.
Op grond van de behandeling ter zitting is de rechtbank tot de volgende beoordeling gekomen.
De terbeschikkingstelling is laatstelijk verlengd door deze rechtbank op 13 oktober 2010 met een termijn van twee jaar. Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem tegen deze verlengingsbeslissing, alwaar de behandeling van het beroep voor onbepaalde tijd is aangehouden in afwachting van nader onderzoek van betrokkene in het Pieter Baan Centrum.
Uit artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling niet eerder dan twee maanden voor de expiratiedatum mag worden ingediend. Volgens vaste jurisprudentie hoeft een kort voor de aanvang van die termijn ingediende vordering niet tot niet-ontvankelijkheid te leiden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het Openbaar Ministerie echter niet anticiperen op een mogelijke uitspraak van het gerechtshof te Arnhem, waarin de verlengingstermijn van twee jaar zou worden gewijzigd in één jaar. Het wettelijk systeem voorziet niet in een "pro forma" vordering zoals deze thans voorligt.
Nu er nog geen onherroepelijke beslissing ligt naar aanleiding van de door de officier van justitie eerder ingediende vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling, is de onderhavige vordering voortijdig en zonder wettelijke grondslag ingediend. De officier van justitie kan dan ook niet worden ontvangen in deze vordering.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Deze beslissing is aldus gegeven door mrs. G. Eelsing, voorzitter, L.W. Janssen en Th.A. Wiersma, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.