ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ4710
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs seksueel misbruik minderjarige
Verdachte werd beschuldigd van seksueel misbruik van een minderjarige tussen 1993 en 1996 in de provincie Groningen. De tenlastelegging omvatte diverse ontuchtige handelingen, waaronder het binnendringen van het lichaam van het slachtoffer en het betasten van de vagina.
De aangifte werd aanvankelijk geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, maar na een artikel 12 Sv Pro-procedure werd vervolging ingesteld en een gerechtelijk vooronderzoek bevolen. Tijdens dit onderzoek werden het slachtoffer en twee getuigen gehoord, en een deskundige van de Maastricht University onderzocht de betrouwbaarheid van de aangifte.
De rechtbank stelde vast dat het bewijs uitsluitend berustte op de verklaring van het slachtoffer, zonder ondersteunend getuigenbewijs of andere bewijsmiddelen. Gezien het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De vordering van het slachtoffer als benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard, wat betekent dat deze vordering buiten het strafproces bij de burgerlijke rechter moet worden behandeld. Beide partijen dragen hun eigen kosten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.