ECLI:NL:RBGRO:2010:BO7461

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
16 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
18/993001-07
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in belastingfraudezaak met betrekking tot onjuiste belastingaangiften over de jaren 2002, 2003 en 2004

In deze zaak heeft de politierechter van de Rechtbank Groningen op 16 december 2010 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften over de jaren 2002, 2003 en 2004. De officier van justitie had verzocht om niet-ontvankelijkheid van de vervolging op basis van de ATV-richtlijn, maar de politierechter heeft dit verweer afgewezen. De verdachte werd ten laste gelegd dat zij opzettelijk een te laag belastbaar bedrag had opgegeven in haar aangiften, wat resulteerde in te weinig geheven belasting. De politierechter oordeelde dat de strafvordering voor de jaren 2002 en 2003 was verjaard, maar dat de vervolging voor het jaar 2004 ontvankelijk was. De verdediging voerde aan dat er geen bewijs was voor opzet en dat de aangiften in box 3 correct waren gedaan. De politierechter concludeerde dat er onvoldoende bewijs was voor opzet met betrekking tot de aangiften over 2002 en 2003, maar dat de verdachte wel schuldig was aan het indienen van een onjuiste aangifte voor 2004. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,00, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis indien de boete niet betaald zou worden. De uitspraak is gedaan na meerdere zittingen en op basis van de bewijsvoering en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Strafrecht
Parketnummer: 18/993001-07
Datum uitspraak: 16 december 2010
Op tegenspraak
Raadsman: mr. G.W. Breuker
Vonnis van de politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 november 2007, 20 maart 2008, 17 oktober 2008, 20 mei 2010 en 2 december 2010.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat
zij,
op of omstreeks 28 augustus 2003 en/of 7 juni 2004 en/of 8 juni 2005,
te Groningen, en/of Heerlen, althans in Nederland,
(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als
bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)
voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 2002 en/of 2003 en/of 2004
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens)
opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te
Groningen ingeleverde aangiftebiljet(ten) inkomstenbelasting belasting over
genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans
(telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit
(telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat in
de betreffende aangiftebiljetten/dat aangiftebiljet betreffende die jaren/dat
jaar (telkens) ten onrechte een bedrag aan ontvangen provisie niet is vermeld.
Wijziging tenlastelegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenlastelegging als volgt zal worden gewijzigd:
dat in plaats van "8 juni 2005" dient te worden gelezen "8 juni 2006, althans in de jaren 2003 tot en met 2006".
Deze vordering is door de politierechter op de terechtzitting van 17 oktober 2008, gehoord verdachte en de raadsman, toegewezen.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Hij heeft hiertoe gewezen op het feit dat de "Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten 2006" (hierna: de ATV-richtlijn) bepaalt dat verdachte op grond van de hoogte van het fiscale nadeel in categorie II valt (een fiscaal nadeel tussen de € 25.000,- en € 125.000,-). De raadsman heeft vervolgens gesteld dat in de ATV-richtlijn wordt bepaald dat één of meer aspecten die in deze richtlijn zijn genoemd, zoals de status van verdachte en/of voorbeeldfunctie, recidive, verhaal onmogelijk, evenwichtige rechtshandhaving, geen bestuurlijke boete mogelijk en/of waarheidsvinding, aan de orde dienen te zijn. Gezien de toelichting hierop is geen van deze, in de ATV-richtlijn genoemde, aspecten bij verdachte sprake en had de officier van justitie om deze reden niet tot strafrechtelijke vervolging over mogen gaan. De raadsman heeft daarom gesteld dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voldoet aan de in de ATV-richtlijn gestelde aspecten. Hij heeft daartoe opgemerkt dat er voor het Openbaar Ministerie drie redenen waren voor strafrechtelijke vervolging. Deze zijn: de hoogte van het fiscale benadelingsbedrag, de status van verdachte en de voorbeeldfunctie die daarvan uit moet gaan en als derde een evenwichtige rechtshandhaving van alle verdachten in het betreffende strafrechtelijke onderzoek. De officier van justitie heeft om die reden gesteld dat hij wel degelijk ontvankelijk is in zijn vervolging.
Beoordeling
De politierechter overweegt als volgt.
De ATV-richtlijn is bepalend voor de beslissing welke zaken in aanmerking kunnen komen voor strafrechtelijke afdoening. De ondergrens van het fiscale nadeel, waarbij via het tripartiete overleg besloten kan worden tot strafrechtelijke dan wel bestuursrechtelijke afdoening, is voor particulieren een bedrag van
€ 6.000,- en dit is tevens de ondergrens van de in de ATV-richtlijn benoemde categorie I. De politierechter stelt vast dat het bedrag van het fiscale nadeel van verdachte aan de bovengrens van categorie II ligt waardoor, zoals deze richtlijn ook aangeeft, strafrechtelijke afdoening in beginsel in de rede ligt. De politierechter is daarnaast van oordeel dat aangezien ook andere verdachten uit hetzelfde strafrechtelijke onderzoek zijn vervolgd voor soortgelijke strafbare feiten, dit binnen de opportuniteit van het Openbaar Ministerie ligt om te beslissen om tot vervolging over te gaan. De politierechter is op grond hiervan van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging.
Bewijsvraag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk onjuist invullen van de belastingaangiftes over de jaren 2002, 2003 en 2004. Hij heeft daartoe verwezen naar de inhoud van het strafdossier en met name naar de verklaringen van [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1].
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting van 2 december 2010 betoogd dat er geen bewijs is voor het tenlastegelegde. In de eerste plaats bepleit de raadsman dit standpunt omdat verdachte geen provisie heeft gehad, ten tweede omdat verdachte de gelden die door de officier van justitie worden aangemerkt als provisie wel heeft opgegeven bij de belasting op de plaats waar deze volgens haar en haar belastingadviseur hoort namelijk in box 3.
Over de waarde van de verklaring van [medeverdachte 1] heeft de raadsman gewezen op het feit dat [medeverdachte 1] geen onafhankelijke derde is maar een verdachte en daarbij ook nog eens de rechterhand van [hoofdverdachte]. [medeverdachte 1] had er alle belang bij om de last van zijn eigen schouders af te halen door de beschuldigende vinger naar anderen te wijzen. De raadsman is van mening dat de verklaring van [medeverdachte 1] geen betrouwbaar bewijsmiddel is. Indien de politierechter de verklaring van [medeverdachte 1] buiten beschouwing laat is nog maar één bewijsmiddel - de verklaring van [hoofdverdachte] - over en dient vrijspraak te volgen.
Vervolgens heeft de raadsman betoogd dat het bestanddeel "onjuist of onvolledig opgeven" niet bewezen kan worden aangezien verdachte haar rendementen - in de vorm van een vermogenstoename - heeft opgegeven aan de fiscus in box 3. Zij heeft daarbij "belastbaar inkomen uit sparen en beleggen" opgegeven en de rendementen nooit beschouwd als "belastbaar inkomen uit werk en woning" die in box 1 opgegeven moet worden. Van opzet is, zo stelt de raadsman, uitdrukkelijk geen sprake.
Beoordeling
Ten aanzien van de belastingaangiften over de jaren 2002, 2003 en 2004 heeft verdachte weliswaar niet voldaan aan de wettelijke eis om in de juiste box - namelijk box 1 - aangifte te doen van inkomsten uit arbeid, maar uit stukken uit de fiscale procedure is gebleken dat verdachte over die jaren over de vermogentoename wel aangifte heeft gedaan in box 3. Ter zitting heeft de raadsman aangevoerd dat ook de accountant van verdachte geen reden zag om haar rendementen anders op te geven dan als vermogenstoename. Uit de fiscale procedure is gebleken dat de belastingdienst er inmiddels ook vanuit gaat dat het een vaststaand feit is dat door verdachte wel belastingaangifte is gedaan, maar in de verkeerde box.
De memorie van toelichting bij de wet van 18 december 1997 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van administratieve boeten en van het fiscale strafrecht (Stb. 1997, 738), houdt, voor zover hier van belang, in:
"Artikel 69 AWR (nieuw)
(...)
De voorgestelde delictsomschrijving is minder ruim dan de thans geldende. In de geldende bepaling is aan de delictsomschrijving voldaan, indien de mogelijkheid bestaat, dat te weinig belasting kan worden geheven. (...). De voorgestelde bepalingen trekken de grens van de strafbaarheid (...) enger: de gedragingen moeten niet alleen ten gevolge hebben dat die mogelijkheid bestaat. Deze dienen te strekken tot heffing van te weinig belasting, dat wil zeggen: zij dienen die te geringe heffing naar redelijke, uit de objectieve omstandigheden af te leiden, verwachting waarschijnlijk te maken.
Zoals hiervoor is opgemerkt, is overtreding van artikel 68 AWR thans als misdrijf strafbaar indien het feit opzettelijk is begaan en indien het ten gevolge zou kunnen hebben, dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven. In de bestaande opbouw van de delictsomschrijving ligt niet opgesloten, dat het opzet waarmee de verboden gedraging wordt verricht, moet zijn gericht op het mogelijke gevolg dat te weinig belasting wordt geheven. In het voorgestelde artikel 69, eerste en tweede lid, AWR blijft deze verhouding tussen de bestanddelen "opzettelijk" en "indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven" dezelfde. Ook in de voorgestelde redactie behoeft de opzet derhalve niet te zijn gericht op de strekking van de gedraging; het opzetvereiste betreft de gedragingen die zijn omschreven in het voorgestelde artikel 68, tweede lid, onderdelen a tot en met e, en artikel 69 zelf."
(Kamerstukken II 1993-1994, 23 470, nr. 3, p. 57)
Uit de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is verklaard kan niet worden afgeleid dat de verdachte, wat betreft de belastingaangiften over 2002, 2003 en 2004 het opzet heeft gehad op het onjuist of onvolledig doen van die aangiften. Het enkele feit dat een aangifte - naar later door de verdachte wordt erkend - onjuist of onvolledig is, brengt nog niet mee dat de verdachte daarop van meet af aan opzet heeft gehad. Het in de wet bedoelde strekkingsvereiste maakt dit niet anders. Verdachte zal van de opzettelijke variant van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
De politierechter overweegt voorts als volgt.
In verband met het bepaalde in artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht, geldend ten tijde van het strafbare feit, is het recht tot strafvordering door verjaring in twee jaren voor alle overtredingen vervallen. Sinds 1 februari 2008 geldt voor overtredingen een termijn van drie jaren. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij zijn arrest van 29 januari 2010 (LJN BK1998) bepaald dat bij verandering van een wettelijke regeling van verjaring deze direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd.
De belastingaangifte over het jaar 2002 is op 28 augustus 2003 bij de belastingdienst binnengekomen en de laatstgenoemde is derhalve de datum dat verdachte de overtreding heeft begaan. De verjaringstermijn begint te lopen op 29 augustus 2003. De eerste daad van vervolging was het uitbrengen van de dagvaarding voor de zitting van 26 november 2007, die op 29 oktober 2007 aan verdachte in persoon is betekend. Er zijn dus meer dan twee jaren verstreken gerekend vanaf de dag na het plegen van het strafbare feit tot aan de daad van vervolging. Niet is gebleken van omstandigheden die de verjaring tussentijds zouden hebben gestuit. Het Openbaar Ministerie moet daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vervolging met betrekking tot de belastingaangifte over 2002.
De belastingaangifte over het jaar 2003 is op 11 juni 2004 bij de belastingdienst binnengekomen en de laatstgenoemde is derhalve de datum dat verdachte de overtreding heeft begaan. De verjaringstermijn begint te lopen op 12 juni 2004. De eerste daad van vervolging was het uitbrengen van de dagvaarding voor de zitting van 26 november 2007, die op 29 oktober 2007 aan verdachte in persoon is betekend. Er zijn dus meer dan twee jaren verstreken gerekend vanaf de dag na het plegen van het strafbare feit tot aan de daad van vervolging. Niet is gebleken van omstandigheden die de verjaring tussentijds zouden hebben gestuit. Het Openbaar Ministerie moet daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vervolging met betrekking tot de belastingaangifte over 2003.
De belastingaangifte over het jaar 2004 is op 8 juni 2006 bij de belastingdienst binnengekomen en de laatstgenoemde is derhalve de datum dat de overtreding is begaan. De verjaringstermijn begint te lopen op 9 juni 2006. De eerste daad was ook hier het uitbrengen van de dagvaarding voor de zitting van 26 november 2007, die op 29 oktober 2007 aan verdachte in persoon is betekend. De verjaringstermijn van twee jaar was voor dit feit op 1 februari 2008, de datum van de wetswijziging, nog niet verlopen en daarom geldt voor dit feit een verjaringstermijn van drie jaren. Het Openbaar Ministerie is daarom voor de onjuiste belastingaangifte over het jaar 2004 ontvankelijk in zijn vervolging.
De politierechter heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.
Een proces-verbaal d.d. 22 december 2006, opgenomen op de pagina's 1-51 van dossier nr. 38682, inhoudende de relatering van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
De aangifte inkomstenbelasting ten name van [medeverdachte, partner] en [verdachte] is uitgereikt en terugontvangen door de Belastingdienst. De aangifte inkomstenbelasting over 2004 is gedaan op 8 juni 2006 en ingediend te Groningen.
Een proces-verbaal d.d. 2 oktober 2006, opgenomen in bijlage V1/01 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik weet niets van de aangiften. Mijn accountant heeft de aangifte inkomstenbelasting voor mij ingevuld. Ik kreeg, net als alle andere mensen die geld inlegden, enorm hoge rendementen op de leningen bij [hoofdverdachte].
Een proces-verbaal d.d. 2 oktober 2006, opgenomen in bijlage V1/02 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik heb een rendement gehad van 5%. Ik blijf erbij dat ik geen provisie heb gehad van [hoofdverdachte]. Ik heb naast mijn rendement op de leningen op geen enkele wijze geld ontvangen van [hoofdverdachte] voor mijn werkzaamheden.
Een proces-verbaal d.d. 14 november 2006, opgenomen in bijlage G2/01 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [hoofdverdachte], zakelijk weergegeven
[medeverdachte, partner] en [verdachte] kregen voor hun bemoeienissen met mijn privé beleggingen provisie en daarnaast kregen zij van mij provisie uitbetaald voor het aanbrengen van klanten bij Intereffekt.
Een proces-verbaal d.d. 22 november 2006, opgenomen in bijlage G3/01 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven:
Door [medeverdachte, partner] of [verdachte] werd per bank geld overgemaakt en dan maakte ik een schuldbekentenis op. Er zijn ook leningen die gebaseerd zijn op de uitbetaling van provisie. [verdachte] heeft haar provisies verder met [hoofdverdachte] geregeld.
Een schriftelijk stuk d.d. 8 juni 2006, opgenomen als bijlage D/01-cc van voornoemd dossier, inhoudende de belastingaangifte van [medeverdachte, partner] en [verdachte], zakelijk weergegeven:
Aangifte van pensioen en lijfrente in box 1 (totaal € 52.834,-) en een toename van zowel bank-, giro- en spaartegoeden als aandelen en obligaties in box 3 (gemiddelde waarde van bezittingen € 332.639,-).
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat
zij op 8 juni 2006 te Groningen een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2004 onjuist heeft gedaan, immers heeft verdachte op het bij de Inspecteur der belastingen te Groningen en/of Heerlen ingeleverde aangiftebiljet inkomstenbelasting over genoemd jaar een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid hierin bestaan dat in dat aangiftebiljet betreffende dat jaar ten onrechte een bedrag aan ontvangen provisie niet is vermeld.
Strafbaarheid van het feit
Hetgeen de politierechter bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:
Overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 68, tweede lid, aanhef en onder a (oud), van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De politierechter acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.
Strafoplegging
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 50.000,- subsidiair 285 dagen vervangende hechtenis waarvan € 25.000,- subsidiair 160 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de aard en ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De officier van justitie heeft daarbij met nadruk gewezen op de listigheid en geslepenheid van de manier waarop de strafbare feiten zijn gepleegd en tevens rekening gehouden met straffen die inmiddels bij andere rechtbanken aan medeverdachten uit het strafrechtelijk onderzoek zijn opgelegd. Tevens rekent de officier van justitie het verdachte zwaar aan dat zij nog steeds ontkent de strafbare feiten te hebben gepleegd.
Standpunt van de verdediging
Verdachte is slachtoffer geworden van de activiteiten van [hoofdverdachte]. Daardoor heeft zij samen met haar partner schade geleden van meer dan drie ton. De AFM heeft haar Wte-registratie als cliëntenremisier doorgehaald waardoor zij haar werkzaamheden als remisier niet meer kon voorzetten. Voorts heeft de raadsman betoogd dat verdachte inmiddels op leeftijd is en te kampen heeft met een slechte gezondheidstoestand die door de voorlopige hechtenis behoorlijk is verergerd doordat zij haar afspraken in het ziekenhuis niet kon nakomen.
De raadsman heeft gewezen op het feit dat door de belastingkamer van de rechtbank Leeuwarden de beroepen tegen de navorderingsaanslagen ongegrond zijn verklaard. Verdachte heeft het bedrag van de navorderingsaanslag reeds in 2009 aan de Belastingdienst betaald om verder oplopende rente te voorkomen. Verdachte heeft op alle fronten al genoeg te leiden gehad van deze affaire en de raadsman is van mening dat op grond van deze omstandigheden een schuldigverklaring zonder oplegging van straf zou moeten volgen.
Oordeel van de politierechter
Na al hetgeen hiervoor is overwogen rest nog slechts één overtreding waarvoor strafoplegging kan volgen. Op grond van de geldende wetgeving op 8 juni 2006 is de maximumstraf voor overtreding van artikel 68 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een geldboete van de derde categorie op te leggen, op dat moment € 6.700,-. Alleen al om die reden zal de politierechter een veel lagere straf op leggen dan door de officier van justitie is geëist.
Daarnaast heeft de politierechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Op grond van het bovenstaande is de politierechter van oordeel dat een geldboete moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de hoogte daarvan heeft de politierechter rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De politierechter heeft gelet op
- de artikelen 23(oud), 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;
- de artikelen 68(oud) en 72(oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
BESLISSING
De politierechter:
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk voor het tenlastegelegde ten aanzien van de aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2002 en 2003.
- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.
- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:
een geldboete van € 5.000,00 (zegge: vijf duizend euro) met bevel dat voor geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de geldboete de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.
De politierechter waardeert de dagen die veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op € 50,00 per dag.
Dit vonnis is aldus gewezen door mr. L.W. Janssen, politierechter, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 december 2010.