ECLI:NL:RBGRO:2010:BN3547
Rechtbank Groningen
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot wedertewerkstelling wegens onvoldoende belangenafweging werkgever
R. is sinds 2003 bij NOB werkzaam als schoonmaakster, voornamelijk bij de bioscopen Pathé en Mustsee. Na wijziging van het schoonmaakcontract werd zij door NOB op een ander object tewerkgesteld, tegen haar wil. R. vordert in kort geding haar wedertewerkstelling op de oorspronkelijke locaties op grond van artikel 8 CAO Pro Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf.
De kantonrechter oordeelt dat R. een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, maar dat NOB onvoldoende heeft aangetoond dat zij rekening heeft gehouden met de belangen van R. bij de wijziging van haar werkplek. Er heeft geen overleg plaatsgevonden en de stelling van NOB dat R. niet wilde overleggen is onvoldoende onderbouwd.
De rechter stelt dat de vraag of NOB verplicht is R. op de oorspronkelijke locaties te laten werken niet in kort geding kan worden beantwoord vanwege de betwisting van feiten en belangen. Daarom wordt de vordering afgewezen en worden de proceskosten gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van belangenafweging door de werkgever.