ECLI:NL:RBGRO:2010:BL7225

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
16 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09-956 WAZ
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WAZArt. 2, vierde lid WAZArt. 7:15 AwbArt. 8:72, vierde lid AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAZ-uitkering wegens onjuiste wettelijke grondslag

Eiser ontvangt sinds 2002 een WAZ-uitkering en werd in 2009 geconfronteerd met een besluit tot intrekking van deze uitkering en terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. De intrekking was gebaseerd op artikel 58, eerste lid, van de WAZ, waarbij verweerder het oude recht toepaste met een beoordelingstijdvak van drie jaar.

De rechtbank stelt vast dat het gewijzigde artikel 58, eerste lid, van de WAZ per 1 januari 2009 zonder overgangsrecht in werking is getreden en dat de dagelijkse praktijk van het UWV om het oude recht toe te passen voor perioden geheel voor de wijziging geen juridische basis heeft. Hierdoor is het bestreden besluit gestoeld op een onjuiste wettelijke grondslag.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit tot intrekking van de uitkering. Omdat het intrekkingsbesluit onrechtmatig is, wordt ook het besluit tot terugvordering vernietigd. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht en kosten bezwaar.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering en de terugvordering worden vernietigd en herroepen wegens een onjuiste wettelijke grondslag.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Zaaknummer: AWB 09/956 WAZ
Uitspraak in het geschil tussen
[eiser], wonende te Midwolda, eiser,
gemachtigde: mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: W.G. Metus, werkzaam bij het UWV.
1. Onderwerp van geschil
Eiser heeft op 6 oktober 2009 beroep ingesteld tegen het besluit van 18 september 2009. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten van 12 februari 2009 en 2 maart 2009 ongegrond verklaard en laatstgenoemde besluiten gehandhaafd, inhoudende de intrekking van eisers uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (WAZ) met ingang van 1 januari 2008 en de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering ten bedrage van € 12.304,72 bruto over de periode van 1 januari 2008 tot 1 maart 2009.
2. Zitting
Het geschil is behandeld op de zitting van 8 februari 2010.
Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de voornoemde gemachtigde.
3. Beoordeling van het geschil
3.1 Feiten en procesverloop
Eiser ontvangt sinds 2002 een WAZ-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
In het kader van een herbeoordeling heeft de arbeidsdeskundige Wiersma op 11 februari 2009 een rapportage opgesteld. In deze rapportage heeft deze arbeidsdeskundige aangegeven dat eiser sinds 2003 wordt gekort op de uitkering onder toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ. Toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ is toegestaan gedurende drie jaren, waarna een definitieve schatting dient plaats te vinden. De maatman is onveranderd de zelfstandige met een loonbedrijf voor 40 uur per week. Gelet op het gerealiseerde gemiddelde inkomen over de jaren 2005, 2006 en 2007 is het bruto uurinkomen van eiser € 10,90, inclusief toeslagen. Na vergelijking met het maatmaninkomen (€ 8,07 bruto per uur) van eiser leidt dit tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 25%.
Vervolgens komt de voornoemde arbeidsdeskundige tot de conclusie dat de mate van arbeidsongeschiktheid op de beoordelingsdatum (1 januari 2008) minder dan 25% bedraagt en dat er aanleiding bestaat om de uitkering op grond van artikel 58 van Pro de WAZ in te trekken.
Verweerder heeft bij primair besluit van 12 februari 2009 de WAZ-uitkering van eiser op grond van artikel 58 van Pro de WAZ met ingang van 1 januari 2008 ingetrokken.
Verweerder heeft bij primair besluit van 2 maart 2009 de onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering ten bedrage van € 12.304,72 over de periode van 1 januari 2008 tot 1 maart 2009 van eiser teruggevorderd.
Namens eiser is bij brief van 9 maart 2009 een bezwaarschrift, gericht tegen de besluiten van 12 februari en 2 maart 2009, bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn namens eiser bij brief van 9 april 2009 ingediend. Namens eiser zijn de gronden van bezwaar bij brief van 30 juni 2009 aangevuld.
Eiser is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten, waarvan namens hem gebruik is gemaakt op 31 juli 2009. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van eiser, de primaire besluiten gehandhaafd.
3.2 Toepasselijke regelgeving
Artikel 58, eerste lid, van de WAZ (oud) luidt als volgt:
‘Indien verzekerde, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van drie jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid worden genoten, niet aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet betaald, indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of,
b. indien onderdeel a niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.
Na afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid.’
Artikel 58, eerste lid, van de WAZ is met ingang van 1 januari 2009 gewijzigd (Stb. 2008/603).
Artikel 58, eerste lid, van de WAZ (nieuw) luidt als volgt:
‘Indien verzekerde, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid worden genoten, niet aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet betaald, indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of,
b. indien onderdeel a niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.
Na afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid.’
Artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht luidt als volgt:
‘1. Voor de behandeling van het bezwaar is geen recht verschuldigd.
2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.’
3.3 Overwegingen
Ter beoordeling van de rechtbank liggen voor de door verweerder na bezwaar gehandhaafde besluiten tot intrekking van eisers WAZ-uitkering met ingang van 1 januari 2008 en terugvordering van eiser van de onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering over de periode van 1 januari 2008 tot 1 maart 2009.
Met betrekking tot het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering van eiser overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat met ingang van 1 januari 2009 artikel 58, eerste lid, van de WAZ gewijzigd is in die zin, dat een beoordelingstijdvak in het kader van de anticumulatie-regeling vijf jaar dient te bedragen. Voorts stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit en het primaire besluit door verweerder genomen zijn na de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 58, eerste lid, van de WAZ. Verweerder heeft het bestreden besluit (én het primaire besluit) echter gebaseerd op artikel 58, eerste lid, van de WAZ (oud) en dientengevolge een beoordelingstijdvak van drie jaar gehanteerd in het onderhavige geval.
Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat in het onderhavige geval de te beoordelen periode in zijn geheel voor de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 58, eerste lid, van de WAZ ligt, zodat het oude recht is toegepast. In de visie van de gemachtigde van verweerder is dit de dagelijkse praktijk binnen het UWV.
De rechtbank stelt vast dat het gewijzigde artikel 58, eerste lid, van de WAZ zonder enige overgangsrechtelijke bepaling met ingang van 1 januari 2009 in werking getreden is.
De door de gemachtigde van verweerder omschreven dagelijkse praktijk binnen het UWV dat het oude recht van toepassing is, indien de te beoordelen periode in zijn geheel voor de inwerkingtreding van het gewijzigde wetsartikel ligt, vindt geen steun in het recht. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit gestoeld is op een onjuiste wettelijke grondslag. Reeds om die reden is het beroep van eiser gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Aangezien het voornoemde gebrek ook kleeft aan het primaire besluit van 12 februari 2009 en dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het besluit van 12 februari 2009 herroepen.
Gezien de herroeping door de rechtbank van het primaire intrekkingsbesluit van 12 februari 2009, is er naar het oordeel van de rechtbank geen basis meer voor een terugvordering. De rechtbank acht het dan ook aangewezen het bestreden besluit om die reden te vernietigen alsmede zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 2 maart 2009 te herroepen, nu beide besluiten gebaseerd zijn op en voortvloeien uit het onrechtmatig geachte intrekkingsbesluit.
Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten kunnen deze kosten worden begroot op € 890,--, waarvan € 874,-- in verband met verleende, professionele rechtshulp en € 16,--, zijnde de reiskosten van eiser. Voorts bestaat er aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,-- aan hem dient te vergoeden.
Eiser heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de rechtbank de primaire besluiten van 12 februari 2009 en 2 maart 2009 herroept wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid bestaat er aanleiding verweerder op grond van artikel 7:15 in Pro verbinding met artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de kosten van eiser in bezwaar. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 660,--, waarvan € 644,-- in verband met verleende, professionele rechtshulp en € 16,--, zijnde de reiskosten van eiser.
Beslist wordt als volgt.
4. Beslissing
De rechtbank Groningen,
RECHT DOENDE,
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- herroept de primaire besluiten van 12 februari 2009 en 2 maart 2009 van verweerder;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.550,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten dient te voldoen aan de griffier van de rechtbank;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 41,-- aan hem dient te voldoen.
Aldus gegeven door mr. H.J. Bastin, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 16 februari 2010 in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De griffier De rechter
De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
Afschrift verzonden op:
typ: hvk