ECLI:NL:RBGRO:2009:BK2676
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot beëindiging en ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens onvoldoende onbetamelijke bedrijfsvoering
De verhuurder vorderde primair vaststelling van het einde van de huurovereenkomst en subsidiair ontbinding wegens vermeende tekortkomingen van de huurder, waaronder te late huurbetalingen en slechte bedrijfsvoering. De huurder werd op 1 juli 2000 in de huurovereenkomst geplaatst, die liep tot 1 januari 2009.
De verhuurder stelde dat de huurder zich niet als een goed huurder gedroeg, met onder meer regelmatig te late betalingen en achterstallig onderhoud, en dat de bedrijfsvoering de waarde van het pand aantastte. De huurder betwistte dit en verwees naar onderhoudstekorten van de verhuurder en de economische crisis.
De kantonrechter oordeelde dat de huurachterstanden en te late betalingen onvoldoende ernstig waren om de huurovereenkomst te beëindigen. Ook was geen sprake van contractuele verplichting tot bewoning van de bovenwoning. De vermeende slechte bedrijfsvoering werd niet onderbouwd en onvoldoende aannemelijk geacht. De belangenafweging wees in het voordeel van de huurder.
De vorderingen tot beëindiging, ontbinding en schadevergoeding werden afgewezen. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken op 4 november 2009 door kantonrechter B. van den Bosch.
Uitkomst: De vorderingen van de verhuurder tot beëindiging en ontbinding van de huurovereenkomst worden afgewezen.