ECLI:NL:RBGRO:2008:BC6013
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor medeplegen van cocaïnehandel en vrijspraak voor bezit van 1025 gram cocaïne
De rechtbank Groningen heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, namelijk het voorbereiden en bevorderen van de handel in cocaïne. Dit betrof activiteiten in de periode van 1 tot en met 25 juni 2007 in de gemeenten Groningen, Amsterdam en Hoorn. Verdachte heeft contacten onderhouden met leveranciers en afspraken gemaakt over de overdracht van cocaïne.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van ongeveer 1025 gram cocaïne, omdat niet wettig en overtuigend was bewezen dat deze hoeveelheid daadwerkelijk aan verdachte kon worden toegerekend. De bewijsvoering bestond uit stelselmatige observaties, afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van betrokkenen.
De verdediging voerde aan dat er sprake was van een vormverzuim bij de stelselmatige observatie na 19 juni 2007 en dat de politie tijdens verhoren druk had uitgeoefend in strijd met artikel 29 Sv Pro. De rechtbank erkende het vormverzuim, maar oordeelde dat dit niet tot bewijsuitsluiting leidde omdat verdachte niet in zijn belangen was geschaad. Ook werd vastgesteld dat de politie inderdaad ontoelaatbare druk had uitgeoefend, maar dit had beperkte gevolgen.
De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, de rol van verdachte en eerdere veroordelingen. De straf was hoger dan de eis van de officier van justitie vanwege de ernst en omstandigheden van het delict.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor medeplegen van cocaïnehandel en vrijgesproken van bezit van 1025 gram cocaïne.