ECLI:NL:RBGRO:2007:BA2991
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken jagen binnen bebouwde kom of direct aangrenzend terrein
Verdachte werd ten laste gelegd dat hij in het najaar van 2005 met een geweer had gejaagd binnen de bebouwde kom van Groningen of op direct daaraan grenzende terreinen, in strijd met artikel 53 lid 1 aanhef Pro en onder m van de Flora- en faunawet. Het jachtveld lag tussen de woonwijken Beijum en Drielanden, gescheiden door wegen en waterlopen met brede bermen.
De officier van justitie stelde dat het terrein door de groei van de bebouwing, aanwezigheid van recreatiegebieden en paden als bebouwde kom moest worden aangemerkt, wat de veiligheid in gevaar bracht. Verdachte en zijn raadsman voerden aan dat het terrein niet binnen of direct aan de bebouwde kom grenst, mede omdat het jachtveld fysiek gescheiden is door wegen en waterlopen en dat verdachte altijd veiligheidsmaatregelen neemt.
De rechtbank oordeelde dat het begrip 'bebouwde kom' in de Flora- en faunawet een zelfstandige betekenis heeft, bepaald aan de hand van de ratio van de wet en feitelijke omstandigheden. Het terrein lag niet binnen de bebouwde kom, noch direct daaraan grenzend, omdat het deels omheind grasland is zonder woningen en doorgaande wegen. Bovendien was niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op het tweede genoemde terrein had gejaagd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend bewezen is dat hij binnen de bebouwde kom of direct daaraan grenzend terrein heeft gejaagd.