ECLI:NL:RBGRO:2006:AY5103

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
13 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
18/070525-04
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18a Penitentiaire BeginselenwetArt. 18b Penitentiaire BeginselenwetArt. 18c Penitentiaire BeginselenwetArt. 3 Penitentiaire MaatregelArt. 5 lid 4 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting ISD-maatregel ondanks gebreken bij tenuitvoerlegging wegens weigerachtige houding veroordeelde

De veroordeelde is bij vonnis van 2 december 2004 een ISD-maatregel opgelegd naast een gevangenisstraf van vier maanden. Na intrekking van het hoger beroep verzocht hij op 24 mei 2006 om tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel met het verzoek tot onmiddellijke beëindiging.

De rechtbank constateert gebreken in de tenuitvoerlegging, zoals het late opstellen van een verblijfsplan en het laat aanbieden van programma's. Desondanks heeft de veroordeelde niet via de beschikbare interne wegen bezwaar gemaakt. Uit informatie van de inrichting blijkt dat herhaaldelijk is geprobeerd hem tot deelname te bewegen, maar dat hij telkens zijn deelname staakte of nauwelijks participeerde.

De rechtbank kwalificeert de veroordeelde als weigerachtig tot deelname. De problematiek waarvoor de maatregel is opgelegd blijft daardoor aanwezig. Voortzetting is noodzakelijk om ernstige overlast en onveiligheid in de maatschappij te voorkomen. De rechtbank besluit daarom de ISD-maatregel voort te zetten.

Uitkomst: Voortzetting van de ISD-maatregel is noodzakelijk ondanks gebreken bij de uitvoering vanwege de weigerachtige houding van de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Strafrecht
Parketnummer : 18/070525-04
Beslissing ex artikel 38s Wetboek van Strafrecht
Beslissing van de rechtbank Groningen, meervoudige raadkamer voor strafzaken, in de zaak van:
[naam ISD-gestelde],
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in PI Noord, PI de Grittenborgh.
Procedure:
Aan veroordeelde is bij vonnis van 2 december 2004 de ISD-maatregel opgelegd, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Veroordeelde heeft hiertegen op
14 december 2004 hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep hij op 22 maart 2005 heeft ingetrokken.
Op 24 mei 2006 heeft veroordeelde verzocht om tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel. Veroordeelde is van mening dat de maatregel met onmiddellijke ingang beëindigd moet worden.
Ter terechtzitting zijn gehoord de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde,
mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.
Beoordeling
De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de wijze van tenuitvoerlegging in strijd is met de artikelen 18a, 18b en 18c van de Penitentiaire Beginselenwet, artikel 3 van Pro de Penitentiaire Maatregel en artikel 5 lid 4 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Daarnaast, zo heeft de raadsman betoogd, is voortzetting van de maatregel door omstandigheden buiten de macht van de veroordeelde gelegen, niet zinvol.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de maatregel.
De rechtbank stelt voorop dat er in het kader van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel gebreken zijn geweest. Niet weersproken is onder meer dat pas in een laat stadium ten behoeve van veroordeelde een verblijfsplan is opgesteld en hem programma's zijn aangeboden. Veroordeelde heeft er, naar moet worden aangenomen, evenwel voor gekozen om daartegen niet via de hem daartoe openstaande wegen binnen de inrichting bezwaar of beklag te doen.
Uit de door de inrichting verstrekte informatie komt naar voren dat ten behoeve van veroordeelde wel degelijk een verblijfplan is opgesteld en hem programma's zijn aangeboden. Ook blijkt daaruit dat vanuit de inrichting herhaaldelijk is geprobeerd om veroordeelde tot deelname aan de programma's te bewegen. Veroordeelde heeft blijkens de informatie telkens uit eigen beweging zijn deelname gestaakt dan wel in zo geringe mate geparticipeerd dat voortzetting niet zinvol bleek. Veroordeelde heeft herhaaldelijk toezeggingen gedaan om deel te nemen, maar bleek vervolgens niet bereid deze in daden om te zetten. Naar het oordeel van de rechtbank dient veroordeelde dan ook te worden aangemerkt als iemand die weigerachtig is tot deelname. Het feit dat de inrichting in het begin onvoldoende voortvarend te werk is gegaan maakt dit niet anders.
Uit de ingebrachte periodieke evaluatie blijkt dat door de houding van veroordeelde in feite niet aan behandeling van diens problematiek is toegekomen. Deze moet worden geacht onveranderd aanwezig te zijn. Wanneer de maatregel zal worden opgeheven is dan ook te verwachten dat dit zal leiden tot ernstige overlast en het onveilig maken van het publiek domein.
Nu het beoogde programma niet kan worden gerealiseerd, betrokkene daarin zelf een aandeel heeft en de beoogde strekking van de maatregel, te weten beveiliging van de maatschappij, nog van betekenis is, is de rechtbank van oordeel dat voortzetting van de maatregel noodzakelijk is.
Beslissing
De rechtbank beslist als volgt:
Voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is nog immer vereist.
Deze beslissing is gegeven door mrs. R.P. van Eerde, voorzitter, M.M. Beije en
C.L.B. Kocken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Wassink als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2006.
Mr. M.M. Beije was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.