ECLI:NL:RBGRO:2006:AX9159

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
7 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
86949 / KG ZA 06-184
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • D.A. Flinterman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 253n BWArt. 256 RvHaags Kinderontvoeringsverdrag 1980
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering voorlopige gezagswijziging en afgifte kind in kort geding

De vrouw vordert in kort geding eenhoofdig gezag over het minderjarige kind en afgifte van het kind binnen 24 uur van de vader, die het kind naar Thailand zou hebben ontvoerd.

De rechtbank overweegt dat de gevorderde gezagswijziging een definitieve maatregel is en niet geschikt voor een kort geding. De voorlopige gezagswijziging wordt ook afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, mede omdat een hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof Leeuwarden loopt.

De vordering tot afgifte van het kind wordt afgewezen omdat volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag de Thaise rechter bevoegd is over de terugkeer te beslissen. De afgifte dient via de Centrale Autoriteiten te verlopen, een procedure die reeds is gestart met betrokkenheid van de Raad voor de Kinderbescherming.

De voorzieningenrechter wijst het gevorderde af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vorderingen tot voorlopige gezagswijziging en afgifte van het kind worden afgewezen.

Uitspraak

[de vrouw], eiseres
procureur mr. J.C. Lich,
tegen
[de man], gedaagde,
niet verschenen.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling op 29 mei 2006, waar tevens de Raad voor de Kinderbescherming is verschenen
- het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
2.1. De vrouw heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut
primair
1 te bepalen dat de vrouw eenhoofdig wordt belast met het gezag over het minderjarige kind van partijen, [naam kind], geboren op [datum] 2001 te [woonplaats],
2 de man te veroordelen het minderjarige kind van partijen af te geven binnen 24 uur na het ten deze te wijzen vonnis op straffe van de verbeurte van een dwangsom van EUR 500,- per dag bij het in gebreke blijven,
3 de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.
subsidiair
1 te bepalen dat de vrouw voorlopig eenhoofdig wordt belast met het gezag over het minderjarige kind van partijen, [naam kind], geboren op [datum] 2001 te [woonplaats],
2 de man te veroordelen het minderjarige kind van partijen af te geven binnen 24 uur na het ten deze te wijzen vonnis op straffe van de verbeurte van een dwangsom van EUR 500,- per dag bij het in gebreke blijven,
3 de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3. De beoordeling
3.1. De voorzieningenrechter zal eerst de primair en subsidiair sub 2 gevorderde afgifte van [het kind] beoordelen, daarna de primair en subsidiair sub 1 gevorderde gezagswijziging.
3.2. Onder het Verdrag betreffende Burgerlijke Aspecten van Internationale Ontvoering van Kinderen van 25 oktober 1980 (Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980: HKOV), waarbij Thailand is aangesloten, is het de rechter van de staat waarnaar het kind ontvoerd is, die beslist over de terugkeer van het kind. In het onderhavige geval is dat derhalve de Thaise rechter. Hoewel dit er niet zonder meer aan in de weg hoeft te staan dat de Nederlandse voorzieningenrechter in kort geding rechtsmacht heeft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het licht van de bevoegdheidsverdeling in het HKOV, alsmede in het licht van het feit dat het twijfelachtig is of een vonnis van een Nederlandse kort geding rechter in Thailand kan worden geëxecuteerd, de afgifte van [het kind] in het kader van een ontvoering dient te worden bewerkstelligd via de reguliere route, dat wil zeggen, via de Nederlandse en Thaise Centrale Autoriteit en niet via een kort geding procedure. Ter zitting is gebleken dat de procedure via de Centrale Autoriteiten, mede met behulp van de Raad voor de Kinderbescherming, reeds in gang is gezet. De primair en subsidiair sub 2 gevorderde vordering tot afgifte van [het kind] zal derhalve worden afgewezen.
3.3. Ten aanzien van de gevorderde gezagswijziging wordt het volgende overwogen. Toewijzing van de primair sub 1 gevorderde gezagswijziging stuit naar het oordeel van de voorzieningenrechter af op het feit dat deze vordering naar haar aard niet een voorziening betreft met een voorlopig maar met een definitief karakter, zodat deze vordering in kort geding niet zal kunnen worden toegewezen.
Hoewel de aard van de voorlopige gezagswijziging zoals subsidiair sub 1 gevorderd zich als zodanig niet verzet tegen toewijzing in kort geding, dient ook deze vordering te worden afgewezen. Immers, nu eiseres de voorlopige gezagswijziging vordert in verband met de gestelde ontvoering van [het kind] en haar terugkeer naar Nederland, komt in het licht van het onder
3.2. overwogene, het (spoedeisend) belang aan dit deel van het gevorderde te ontvallen. Dit is te meer het geval nu er reeds een hoger beroepsprocedure aanhangig is bij het Gerechtshof te Leeuwarden met betrekking tot het verzoek van zowel eiseres als gedaagde om te worden belast met het eenhoofdig gezag over [het kind], in welk kader de Raad voor de Kinderbescherming is verzocht een onderzoek te verrichten en het Hof te adviseren.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1. wijst af het gevorderde;
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Flinterman en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2006.??