ECLI:NL:RBGRO:2001:AF0394

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
7 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/102 R
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Griffioen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 FaillissementswetArt. 198 FaillissementswetArt. 350 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens overlijden schuldenares zonder faillissement

De rechtbank Groningen heeft bij vonnis van 7 maart 2001 de schuldsaneringsregeling beëindigd ten aanzien van een overleden schuldenares. De schuldenares was op 2 januari 2001 overleden en had tot dat moment aan haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling voldaan. De rechter-commissaris had de rechtbank voorgedragen de regeling te beëindigen.

De rechtbank overwoog dat de schuldsaneringsregeling uitsluitend ten behoeve van natuurlijke personen kan worden uitgesproken en dat deze regeling niet geldt voor nalatenschappen. Hoewel een nalatenschap failliet verklaard kan worden, kan een overleden natuurlijke persoon dat niet meer. Daarom kan de beëindiging van de schuldsaneringsregeling niet leiden tot faillissement van de schuldenares.

Verder stelde de rechtbank dat zij zich niet bevoegd acht om ambtshalve faillissement over de nalatenschap uit te spreken, aangezien dit alleen door schuldeisers kan worden verzocht. De rechtbank besloot geen rechter-commissaris of curator te benoemen en stelde het salaris van de bewindvoerder en de kosten van publicaties vast, die ten laste van de schuldsaneringboedel komen.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens overlijden zonder faillissement en stelt het salaris van de bewindvoerder vast.

Uitspraak

definitieve beëindiging schuldsanering
Arrondissementsrechtbank te Groningen,
eerste enkelvoudige kamer
Bij vonnis van deze kamer van 27 juli 1999 is de definitieve schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:
X.
Geboren op ... te P.,
Overleden op ..., v/h
Wonende te Q.,
Hierna te noemen de schuldenares.
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris bericht, dat de schuldenares op 2 januari 2001 is overleden en zij tot die tijd aan al haar verplichtingen voortvloeide iot de schuldsaneringsregeling naar behoren heeft voldaan.
Op 5 maart 2001 heeft de rechter-commissaris terzake de rechtbank voorgedragen de schuldsanering te beëindigen
Nu uit het voorgaande volgt dat de schuldenares niet meer in staat is haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen, brengt zulks met zich mee, dat de schuldsaneringsregeling beëindigd dient te worden.
Daarbij is van belang. Dat krachtens artikel 287 Faillissementswet Pro alleen ten behoeve van een natuurlijke persoon een schuldsanering kan worden uitgesproken en dat zulks niet geldt voor andere in het rechtsverkeer te onderscheiden entiteiten, en met name niet voor een nalatenschap, welke overigens krachtens uitdrukkelijke wetsbepaling ( artikel 198 Faillissementswet Pro) wel failliet verklaard kan worden.
Het voorgaande brengt met zich mee, dat de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd.
De rechtbank is voorts van oordeel, dat artikel 350, vijfde lid Faillissementswet, voorzover daarin wordt bepaald, dat beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350, derde lid sub c Faillissementswet van rechtswege het faillissement van de schuldenares tengevolge heeft, in casu geen toepassing kan vinden.
Immers, nu de schuldenares is overleden en zijzelf krachtens de Faillissementswet niet meer failliet verklaard kan worden, zou het in strijd met het systeem van de Faillissementswet zijn om aan te nemen, dat een overleden natuurlijke persoon na beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog in staat van faillissement zou kunnen geraken. Uit de wetgeschiedenis met betrekking tot de invoering van de schuldsaneringsregeling blijkt ook niet van een andere bedoeling van de wetgever.
De rechtbank acht bij gebreke van een wettelijk voorschrift terzake zich niet bevoegd om ambtshalve het faillissement over de nalatenschap van de schuldenares uit te spreken. Krachtens artikel 198 Faillissementswet Pro kan een dergelijk faillissement alleen door de schuldeisers worden verzocht.
Nu naar het oordeel van de rechtbank de beëindiging van de schuldsaneringsregeling noch het faillissement van de overleden schuldenares noch dat van haar nalatenschap tot gevolg heeft, zal de rechtbank geen toepassing geven aan artikel 350, vijfde lid, laatste zin en derhalve niet overgaan tot benoeming van een rechter-commissaris en curator.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. De kosten van de in de schuldsaneringsregeling bevolen publicaties kunnen uit de boedel worden voldaan en komen dus ten laste van de schuldsaneringboedel van de schuldenares.
Beslissing
De rechtbank:
· beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
· stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op f. 1.050,-- (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting);
· bepaalt dat de kosten van de in de Faillissementswet bevolen publicaties ten laste van de schuldsaneringboedel van de schuldenares komen.
Gewezen door mr. Griffioen, lid van de genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van7 maart 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.